ECLI:NL:RBDHA:2023:1758
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking persoonsgebonden budget plus en toekenning pgb basis zonder overgangsperiode onzorgvuldig
Eiser, met diverse lichamelijke en psychische beperkingen, had een persoonsgebonden budget (pgb) intensiteit plus toegekend gekregen voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Verweerder trok dit pgb plus per 1 december 2020 in en kende een pgb intensiteit basis toe, terwijl de aanvraag voor een scootmobiel werd afgewezen. Eiser betwistte de medische beoordeling waarop dit was gebaseerd en stelde dat het besluit in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was het pgb in te trekken op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, mits zorgvuldig onderzoek is gedaan. Het medisch advies van de GGD-arts voldeed aan de eisen van zorgvuldigheid en objectiviteit, en de conclusies werden niet overtuigend betwist met medische stukken. De aanvraag scootmobiel werd terecht afgewezen vanwege voldoende mobiliteit en gebruik van openbaar vervoer.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte geen overgangsperiode had geboden bij de intrekking van het pgb plus. Gezien de korte resterende looptijd van de indicatie had de indicatie door moeten lopen tot 31 december 2020 om eiser te laten wennen aan de gewijzigde situatie. Dit zorgvuldigheidsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit voor dat deel. De rechtbank nam zelf een beslissing waarbij het oude pgb plus voor december 2020 werd gehandhaafd en het pgb basis vanaf januari 2021 werd toegekend. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het pgb plus zonder overgangsperiode wordt vernietigd; het oude pgb plus blijft gelden tot 31 december 2020.