ECLI:NL:RBDHA:2023:17672

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 november 2023
Publicatiedatum
17 november 2023
Zaaknummer
NL23.14252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van onjuiste belangenafweging gezinsleven

Eisers, Syrische familieleden van een jongvolwassene met een verblijfsvergunning in Nederland, hadden een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd. De staatssecretaris wees deze aanvraag af, stellende dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitviel ondanks het erkende gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet kenbaar en gemotiveerd heeft meegewogen dat er sprake is van gezinsleven, noch waarom het belang van de Nederlandse Staat zwaarder zou wegen. Ook werd onvoldoende gemotiveerd waarom de zelfstandigheid van de jongvolwassene referent doorslaggevend was, terwijl hij feitelijk afhankelijk is van zijn familie.

Hierdoor is de belangenafweging onjuist verricht en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten en griffierecht aan eisers toegekend.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met een juiste belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2023 in de zaak tussen

[eiser 1] , v-nummer: [nummer] ,

[eiser 2] ,v-nummer: [nummer] ,
[eiser 3] ,v-nummer: [nummer] ,
[eiser 4] ,v-nummer: [nummer] ,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent). De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
Referent heeft op 28 juni 2021 voor eisers de aanvraag ingediend. Met het besluit van 22 maart 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 april 2023 op het bezwaar van eisers is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Het beroep is gegrond. De staatssecretaris heeft de belangenafweging in dit geval niet juist verricht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Feiten en het bestreden besluit
4. Referent is de zoon van [eiser 1] en [eiser 2] en de broer van [eiser 3] en [eiser 4] . Hij verblijft in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers hebben de Syrische nationaliteit en verblijven in Syrië.
De staatssecretaris heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de weigering om een mvv te verlenen geen strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM. Hoewel volgens de staatssecretaris tussen referent en eisers sprake is van familie- en gezinsleven, omdat referent valt onder het jongvolwassenenbeleid, heeft hij de belangenafweging toch in het nadeel van eisers laten uitvallen.
Mocht de staatssecretaris de belangenafweging in het nadeel van eisers laten uitvallen?
5. Eisers betogen dat de staatssecretaris de belangenafweging ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen omdat hij aan het belang van de Nederlandse Staat ten onrechte een doorslaggevend gewicht heeft toegekend.
Gezinsleven
5.1.
Eisers voeren aan dat de staatssecretaris niet kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken dat er sprake is van gezinsleven. In het bestreden besluit is niet gemotiveerd op welke wijze de omstandigheid dat sprake is van gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid (in het voordeel van eisers) in de belangenafweging is betrokken. Eisers stellen dat – gelet hierop – de beleidsruimte van de staatssecretaris bij de belangenafweging kleiner is. Eisers wijzen hierbij ter onderbouwing op twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarin is geoordeeld dat de omstandigheden op grond waarvan tot gezinsleven is geconcludeerd ook dienen door te werken in de belangenafweging. [1]
5.1.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de feiten en omstandigheden op grond waarvan gezinsleven is aangenomen op grond van het jongvolwassenenbeleid wel degelijk bij de belangenafweging in het bestreden besluit zijn betrokken. Deze feiten en omstandigheden zijn immers kenbaar benoemd bij de beoordeling van de objectieve belemmering en daarom ook betrokken bij de verdere belangenafweging. De staatssecretaris stelt in dat verband ook dat de enkele omstandigheid dat referent als jongvolwassene is aangemerkt en gezinsleven is aangenomen niet betekent dat er geen ruimte meer is voor een belangenafweging.
5.1.2.
Het betoog van eisers slaagt. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris overwogen dat referent valt onder het jongvolwassenenbeleid en dat er daarom sprake is van familie- en gezinsleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De staatssecretaris heeft echter niet kenbaar in de belangenafweging betrokken dat er sprake is van familie- en gezinsleven en zodoende ook niet gemotiveerd of en, zo ja, hoeveel gewicht de staatssecretaris hieraan heeft toegekend. Het feit dat de staatssecretaris bij de objectieve belemmering aandacht heeft besteed aan het familie- en gezinsleven, zoals hij op de zitting naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Bij de objectieve belemmering beoordeelt de staatssecretaris namelijk (slechts) of er een reden is om aan te nemen dat het familie- en gezinsleven niet in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. Met een dergelijke motivering maakt de staatssecretaris echter niet inzichtelijk of op zichzelf genomen gewicht toekomt aan het feit dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, nog los van de vraag of dat familie- en gezinsleven wel of niet in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat haar ambtshalve bekend is dat in zaken waarin geen familie- en gezinsleven wordt aangenomen, doorgaans zwaar in het nadeel van de vreemdeling(en) wordt betrokken dat het familie- en gezinsleven ontbreekt. Met het oog hierop dient het feit dat er gezinsleven tussen referent en eisers is aangenomen, kenbaar in het voordeel van eisers te worden meegewogen. Dit is in het bestreden besluit niet gebeurd en het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Zelfstandigheid referent
5.2.
Eisers wijzen erop dat referent als jongvolwassene is aangemerkt. Eisers voeren aan dat hiermee de afhankelijkheid van referent van zijn ouders vaststaat en zijn mate van zelfstandigheid niet in de belangenafweging tegengeworpen kan worden. Bovendien blijkt de afhankelijkheid van referent uit het feit dat hij zijn ouders raadpleegt bij het nemen van beslissingen en uit het feit dat zij hem tijdens zijn vlucht naar Nederland hebben onderhouden.
5.2.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat van referent verwacht mag worden dat hij steeds zelfstandiger wordt en dat de rol van zijn ouders verder afneemt en dat dit ook het geval is. Referent heeft stappen naar zelfstandigheid gezet en dit dient in de belangenafweging in het nadeel van eisers meegewogen te worden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat referent dermate afhankelijk van hen is dat dit in hun voordeel meegewogen dient te worden.
5.2.2.
Het betoog van eisers slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet voldoende is gemotiveerd. Referent valt, zo blijkt uit het bestreden besluit, onder het jongvolwassenenbeleid. Uit het beleid van de staatssecretaris volgt dat dit inhoudt dat referent niet in zijn eigen onderhoud voorziet. [2] De rechtbank leidt hieruit af dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat referent in meerdere of mindere mate van zijn familieleden afhankelijk is. Gelet daarop heeft de staatssecretaris echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in de belangenafweging een zodanige waarde toekent aan het feit dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, dat de belangenafweging op dit punt in het nadeel van eisers uitvalt. Referent verblijft – als gevolg van het feit dat hij vanuit Syrië is gevlucht – zonder zijn ouders in Nederland, volgt hier een hbo-studie en heeft een bijbaan. De rechtbank kan tot op zekere hoogte volgen dat deze omstandigheden tot de conclusie leiden dat van een zuivere afhankelijkheid tussen referent en eisers niet kan worden gesproken. De rechtbank begrijpt zonder nadere toelichting echter niet waarom deze omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat aan eisers doorslaggevend kan worden tegengeworpen dat geen sprake (meer) is van een afhankelijkheidsrelatie. Afgezien nog van het feit dat de staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn standpunt zich verhoudt tot het uitgangspunt dat referent in meerdere of mindere mate van eisers afhankelijk is, heeft de staatssecretaris zich in de belangenafweging onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat referent deze stappen naar zelfstandigheid min of meer gedwongen heeft moeten zetten als gevolg van de situatie waarin hij zich bevindt (alleenstaande jongvolwassene in Nederland, zonder zijn ouders gevlucht uit Syrië). Daar komt nog bij dat de stappen die referent heeft gezet, passen in de gebruikelijke ontwikkeling van een jongvolwassene en de rechtbank daarom niet inziet waarom deze stappen van referent aan eisers kunnen worden tegengeworpen zonder het jongvolwassenenbeleid zinledig te maken. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de stappen die referent heeft gezet naar zelfstandigheid in het nadeel van eisers betrokken mocht worden.
Conclusie
5.3.
Nu het betoog van eisers op deze twee punten slaagt, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de belangenafweging in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Daarom zal de rechtbank het besluit te vernietigen en de staatssecretaris opdragen een nieuw besluit te nemen. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan de staatssecretaris is om het besluit en de daarbij behorende belangenafweging van een deugdelijke motivering te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de staatssecretaris het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de staatssecretaris om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de staatssecretaris het door eisers betaalde griffierecht van € 184,- aan hen vergoedt;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2006) en ABRvS 9 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3660).
2.Dat volgt uit de Werkinstructie 2020/16, p. 12 en uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.