De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van haar minderjarige kind, dat zonder toestemming in India werd gehouden door de vader. De vader was met het kind op vakantie gegaan maar keerde niet terug naar Nederland. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van ongeoorloofde vasthouding in India, aangezien het gezagsrecht gezamenlijk was en de moeder geen toestemming had gegeven.
De vader voerde aan dat de terugkeer het kind zou blootstellen aan lichamelijk of geestelijk gevaar en dat het kind zich verzette tegen terugkeer. De rechtbank stelde dat deze weigeringsgronden restrictief worden uitgelegd en concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor ernstig gevaar of ondragelijke toestand. Ook werd het verzet van het kind niet aannemelijk geacht, mede vanwege haar jonge leeftijd.
De rechtbank besloot dat de onmiddellijke terugkeer naar Nederland moest worden gelast, waarbij de vader het kind uiterlijk 28 november 2023 moet terugbrengen. Indien de vader dit nalaat, moet hij het paspoort en reisdocumenten aan de moeder overhandigen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking is gegeven door drie kinderrechters en kan in hoger beroep worden aangevochten.