ECLI:NL:RBDHA:2023:17860
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielberoep wegens toepassing Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne
Opposant, een persoon met zowel Russische als mogelijk Oekraïense nationaliteit, stelde dat de staatssecretaris ten onrechte de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne op hem toepaste en dat zijn asielaanvraag als Russisch onderdaan behandeld moest worden. De rechtbank oordeelde dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat opposant onder de Richtlijn viel en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep wegens niet-tijdig beslissen onterecht was.
De rechtbank constateerde dat de ingebrekestelling van 4 mei 2022 prematuur was ingediend omdat de beslistermijn nog niet was verstreken, mede vanwege het moratorium voor Oekraïne en de toepassing van de Richtlijn. Opposant had een verblijfsrecht tot 4 maart 2024 op grond van deze Richtlijn. Uit het dossier bleek onduidelijkheid over zijn nationaliteit, waarbij hij zowel Russische als Oekraïense documenten bezat.
Gezien deze onduidelijkheid en het belang van een correcte behandeling van de asielaanvraag, verklaarde de rechtbank het verzet gegrond en heropende het de procedure. De eerdere uitspraak van 21 maart 2023 verviel, en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de procedure wordt hervat; de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt.