ECLI:NL:RBDHA:2023:18088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor familie- of gezinslid wegens onvoldoende bijzondere afhankelijkheid en belangenafweging
Eiseres verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland als familie- of gezinslid van haar zoon, de referent, die sinds 2019 een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd in eerste instantie afgewezen omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een meer dan normale emotionele band of bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres en referent, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
Na een eerdere ongegronde verklaring van het beroep door de rechtbank en vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vond een nieuwe belangenafweging plaats. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres weliswaar medische klachten heeft, maar niet exclusief afhankelijk is van de zorg van referent, aangezien ook anderen in Syrië zorg bieden. Financiële afhankelijkheid van referent is niet aannemelijk gemaakt en zelfs als die er is, betreft het gebruikelijke familiale steun.
De rechtbank concludeerde dat de emotionele band tussen eiseres en referent niet meer dan normaal is en dat het contact op afstand met moderne middelen kan worden voortgezet. Daarnaast weegt het economisch belang van de Nederlandse staat zwaar, mede omdat referent momenteel geen inkomen heeft en een uitkering ontvangt. De hechte band tussen eiseres en haar kleinkind weegt niet zwaarder dan het gezinsleven van het kleinkind met zijn ouders. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf gehandhaafd.