Eiser, met de Jemenitische nationaliteit, diende op 8 december 2022 in Duitsland een asielverzoek in, maar reisde op 9 december 2022 naar Nederland waar hij zich op 22 december 2022 meldde en een loopbrief ontving. De staatssecretaris nam zijn asielaanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn, gebaseerd op een terugnameverzoek dat op 2 maart 2023 werd ingediend bij Duitsland.
De kern van het geschil betrof de vraag of dit terugnameverzoek tijdig was ingediend binnen de termijn van twee maanden na ontvangst van een Eurodac-treffer, zoals voorgeschreven in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser stelde dat de termijn moest aanvang nemen vanaf de datum van afgifte van de loopbrief (22 december 2022), waardoor het verzoek te laat was ingediend.
De staatssecretaris stelde aanvankelijk dat de termijn begon op 7 januari 2023, de datum van ondertekening van het M35-H formulier, en dat het verzoek tijdig was. In beroep werd dit standpunt aangepast, maar de rechtbank oordeelde dat de termijn voor het indienen van het terugnameverzoek moet aanvang nemen uiterlijk 96 uur na het asielverzoek, conform de termijnen van de Eurodac-verordening.
Omdat het verzoek pas op 2 maart 2023 werd ingediend, na het verstrijken van de termijn op 26 februari 2023, is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit te nemen, waarbij de staatssecretaris tevens werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 837,-.