ECLI:NL:RBDHA:2023:1816
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige misdrijven
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon die sinds 1996 in Nederland verblijft, is onherroepelijk veroordeeld voor dertien misdrijven, waaronder elf opiumdelicten met gevangenisstraffen van zes jaar of meer, witwassen en seksueel binnendringen van een persoon in staat van verminderd bewustzijn. Verweerder heeft op grond van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zijn verblijfsvergunning ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de glijdende schaal van artikel 3.86 Vb correct is toegepast, waarbij eiser als veelpleger wordt aangemerkt en de opgelegde gevangenisstraf ruimschoots voldoet aan de norm. Tevens is het tiende lid van artikel 3.86 Vb juist uitgelegd en toegepast, waardoor de uitzonderingsgrond voor intrekking niet van toepassing is vanwege de aard van de gepleegde misdrijven.
Eiser heeft betoogd dat verweerder niet gebonden was aan Recommendation (2000)15 en onvoldoende rekening hield met een waarschuwing over de gevolgen van voortgezet strafbaar gedrag, maar deze gronden zijn door de rechtbank verworpen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro is volledig en zorgvuldig gemaakt, waarbij ook het contact met eisers meerderjarige kinderen is betrokken zonder dat dit tot een ander oordeel leidt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een tienjarig inreisverbod wordt ongegrond verklaard.