ECLI:NL:RVS:2020:1547
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning na toepassing glijdende schaal bij misdrijven
De zaak betreft de intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van een vreemdeling uit Marokko, die sinds 1995 rechtmatig in Nederland verbleef. De staatssecretaris trok de vergunning met terugwerkende kracht per 3 oktober 2012 in vanwege een misdrijf gepleegd op die datum, waarbij de vreemdeling volgens de staatssecretaris een gevaar voor de openbare orde vormde.
De rechtbank had geoordeeld dat de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 correct was toegepast, waarbij de verblijfsduur werd berekend tot 6 juli 1996, toen de vreemdeling reeds drie misdrijven had gepleegd en een gevangenisstraf van drie maanden had gekregen. De vreemdeling betoogde echter dat de verblijfsduur tot 3 oktober 2012 had moeten worden meegewogen.
De Afdeling stelde vast dat de rechtbank terecht de glijdende schaal toepaste, maar erkende dat de verblijfsduur tot het moment van het misdrijf dat aanleiding gaf tot intrekking (3 oktober 2012) betrokken had moeten worden. Dit volgt uit het principe dat naarmate de banden met Nederland sterker zijn, de ernst van het misdrijf zwaarder moet zijn om intrekking te rechtvaardigen. Desondanks leidde deze juiste toepassing niet tot een andere uitkomst, omdat de vreemdeling tijdens zijn rechtmatig verblijf ruim veertien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen had gekregen, wat de intrekking rechtvaardigt.
De overige grieven van de vreemdeling en het hoger beroep van de staatssecretaris werden ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd en het hoger beroep van de vreemdeling en staatssecretaris ongegrond verklaard.