Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
19. Artikel 20 van Pro de Opvangrichtlijn geeft de lidstaten de mogelijkheid om in geval een opvolgende aanvraag wordt ingediend de materiële opvangvoorzieningen te beperken of in te trekken. Artikel 20 van Pro de Opvangrichtlijn schrijft echter ook voor dat hiertoe een beslissing moet worden genomen die individueel, objectief en onpartijdig is en bovendien met redenen omkleed dient te zijn. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de verzoeker en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
20. De Belgische regeling waarbij dit wel geschiedt lijkt dus in strijd met de Opvangrichtlijn. De Dublinverordening regelt dit niet en in de Dublinverordening wordt overigens geen onderscheid gemaakt tussen eerste en opvolgende aanvragen. De Dublinverordening bepaalt in artikel 3, tweede lid, onder meer dat indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de (…) de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast (…) de verantwoordelijke lidstaat wordt.
21. Verweerder had op het moment dat hij op de hoogte is geraakt van deze informatie over de opvangvoorzieningen, die dus ook betrekking heeft op het recht op opvang van Dublinclaimanten na de overdracht, zich nader moeten vergewissen bij de Belgische autoriteiten of inderdaad sprake is van categoriale uitsluiting van verzoekers van opvolgende aanvragen (behoudens wanneer de verzoeken ontvankelijk zijn) van het recht op materiële opvangvoorzieningen. In de Dublinprocedure wordt de verzoeker niet gevraagd naar zijn asielmotieven en verweerder heeft eiser ook niet gevraagd of hij na overdracht zijn asielaanvraag kan staven met nieuwe elementen en bevindingen. Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de reële mogelijkheid dat eiser op grond van Belgische regelgeving na overdracht is uitgesloten van materiële opvangvoorzieningen. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank los van de situatie dat sprake is van een tekort aan opvangplekken in de reguliere opvang, de noodopvang en de daklozenopvang.
20. De rechtbank resumeert dat indien eenduidig zou vast staan dat eiser na overdracht gedurende zijn gehele asielprocedure zou zijn aangewezen op de voorzieningen in de noodopvang, de systeemfout in de opvangvoorzieningen, zoals hiervoor overwogen, niet aan overdracht in de weg zou staan. Op grond van de beschikbare informatie is de kans echter aanmerkelijk dat er na overdracht geen noodopvang voor eiser beschikbaar zal zijn. In het geval dat voor eiser geen noodopvang beschikbaar is, zal hij zijn aangewezen op de daklozenopvang voor zover deze beschikbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het beschikbaar stellen van daklozenopvang niet voldaan aan de minimumgrens van de opvangverplichtingen, reeds omdat de Dublinclaimant in dat geval geen 24-uurs toegang tot een overdekte, beschutte en verwarmde ruimte heeft. Dit klemt te meer omdat uit de overgelegde informatie niet kan worden afgeleid dat na overdracht een plaats in de daklozenopvang is gegarandeerd. De rechtbank overweegt dat het niet aan eiser is om nader aannemelijk te maken dat hij geen plaats in de noodopvang zal kunnen verkrijgen. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat sprake is van een systeemfout. Opvang in een noodopvanglocatie bereikt weliswaar niet de drempel van zwaarwegendheid zoals door het Hof geduid in Jawo. Gelet op de reeds vastgestelde systeemfout en de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens is echter sprake van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat eiser na overdracht geen toegang zal hebben tot de noodopvangvoorzieningen.
21. Doorslaggevend voor de uitspraak op het beroep van eiser is onder de aldus gegeven omstandigheden voor de rechtbank de mededeling van de Belgische autoriteiten dat zij niet in staat zullen zijn om onmiddellijk te voldoen aan een uitspraak van de rechter indien de autoriteiten beveelt om opvang te bieden. Dit betekent immers naar het oordeel van de rechtbank dat indien eiser zou worden overgedragen en aangewezen is op de daklozenopvang, hij geen effectief rechtsmiddel heeft om zijn recht op opvang die wel aan de Jawo-norm voldoet af te dwingen. Weliswaar heeft eiser toegang tot de rechter en zal hij, zo blijkt uit de overgelegde informatie, spoedig een uitspraak van de rechter verkrijgen en is de rechtsgang ook met voldoende waarborgen omkleed, echter deze toegang tot de rechter zal op grond van de thans voorhanden zijnde informatie niet leiden tot het ongedaan maken van de alsdan ontstane onrechtmatige situatie. Onder deze omstandigheden komt aan de omstandigheid dat er voor eiser een rechtsmiddel open staat indien hij niet in de reguliere of noodopvang zal worden opgevangen, geen gewicht toe. Dat eiser een klacht zal kunnen indienen bij het EHRM indien de Belgische autoriteiten een mogelijke uitspraak van de Belgische rechter niet (kunnen) naleven maakt dit niet anders, omdat eiser ook indien hij door de hoogste Europese rechter in het gelijk zal worden gesteld, feitelijk verstoken zal blijven van opvangvoorzieningen die voldoen aan de minimumeisen die het Unierecht stelt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden overdrachtsbesluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen en stelt hiervoor een termijn van vier weken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.