Eiser, een Syrische asielzoeker, werd op 31 januari 2023 de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser betwistte de rechtsgeldigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn binnen de Dublinverordening en stelde dat hij niet ondergedoken was, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de Dublinverordening van toepassing blijft en dat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtsgeldig is, ondanks het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter. De zware gronden voor bewaring, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het frustreren van overdracht aan Duitsland, zijn feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen.
Verder concludeert de rechtbank dat er een reëel risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat er geen lichter middel beschikbaar is om dit risico te ondervangen. De staandehouding en ophouding waren eveneens rechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.