ECLI:NL:RBDHA:2023:18762
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander niet onrechtmatig
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, behandelde het beroep van een derdelander uit Nigeria tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar tijdelijke bescherming, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank verwijst naar een eerdere meervoudige kameruitspraak van 30 oktober 2023 waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waaronder eiseres valt, tussentijds te beëindigen zonder individueel gehoor. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken en verwerpt de beroepsgronden die de bevoegdheid en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreffen.
Eiseres stelde dat het besluit onrechtmatig is wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en onvoldoende motivering, met name omdat signalen van misbruik en opvangtekorten niet onderbouwd zouden zijn en omdat zij zichzelf kan onderhouden. De rechtbank oordeelt dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd en niet onevenredig is, mede gelet op het doel van de Richtlijn en de mogelijkheid voor eiseres om een reguliere verblijfsvergunning of asiel aan te vragen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.