Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S. Kowsari).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
“Ik was elf, twaalf of dertien en startte met school op mijn zevende. Maar in ieder geval begon alles bij de middenschool. Je wordt gedwongen om te praktiseren. Je moet gezamenlijk bidden.”4Op de middenschool wordt eiser geconfronteerd met tegenvallende ervaringen. Hij vertelt: “
Ik kan me nog precies herinneren dat kinderen in de rij moesten voor het gezamenlijk gebed. Een klasgenoot vertelde gedurende het bidden een mop. Dat moet kunnen toch? Ik lachte. Maar op dat moment kwam de opvoedkundige en deelde een klap uit. Ik moest eruit. Mijn ouders moesten komen. Ik ben pas begonnen met het praktiseren van de islam en dan word je zo behandeld. Dat was het beginpunt.”5Eiser lijkt in elk geval tot zijn twintigste zoekende te zijn geweest
“Tot mijn twintigste wilde ik meer begrijpen over de islam, wat is het doel, wat moet ik doen? Op mijn twintigste trouwde mijn vader met een tweede vrouw. (…). Door het tweede huwelijk van mijn vader ontstonden allerlei ruzies thuis. Voor een man is het binnen de islam geen probleem als je met meer vrouwen trouwt. Wat je ook zegt, binnen de islam is het toegestaan.5Verder verklaart eiser over deze periode dat hij veel buitenshuis was als er thuis gepraktiseerd moest worden. Als zijn vader dan vroeg of hij gebeden had, zei eiser dat hij dat had gedaan. Hij deed alsof.6 Gezien het beeld wat naar voren komt uit de gehoren en de zienswijze is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft uitgevraagd naar wat het praktiseren voor eiser betekende, waarom hij het deed als hij het deed en hoe het ‘doen alsof’ voor hem was op de verschillende momenten in zijn leven. Dat de staatssecretaris in het voornemen overweegt dat de door eiser gestelde eerste ervaring met de islam op de middenschool was en dit niet daadwerkelijk zijn eerste ervaring kan zijn, omdat hij in een islamitisch gezin is opgegroeid met een praktiserende vader, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Dat de staatssecretaris vervolgens in het bestreden besluit overweegt dat eiser vanaf jonge leeftijd niet meer praktiseert, maar hij hier geen inzicht in heeft kunnen geven, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende gemotiveerd standpunt in dit kader. De staatssecretaris had hierover tijdens het nader gehoor meer moeten doorvragen. Daarbij kan de rechtbank eiser volgen in zijn stelling dat de hoormedewerker niet heeft doorgevraagd over hoe eiser voor zijn dertiende praktiseerde, terwijl dit wel aan het besluit ten grondslag wordt gelegd. De beroepsgrond slaagt.
Op mijn 28e ging mijn vader met een derde vrouw trouwen. Mijn moeder is een week opgenomen geweest met een gebroken arm van de mishandelingen door de ruzies. De familie van mijn vader stond achter hem. Het was toegestaan binnen de islam. Dit heeft mijn leven beïnvloed. Ik zag alleen maar mijn vader en dan kwam ik altijd bij de islam terecht. De islam heeft ervoor gezorgd dat wij zo moesten leven. Mijn vader was geen slechte man maar hij was praktiserend man. Deze ellende heeft ervoor gezorgd dat mijn moeder niet gelukkig was. Dit komt allemaal door de islam.”8. Uit de verklaringen van eiser in het nader gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser heeft verklaard over zijn persoonlijke ervaringen. De rechtbank ziet niet in waarom deze verklaringen onvoldoende zouden zijn, dat is door de staatssecretaris dan ook onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
hoede politie daar achter is gekomen. Een politieverhoor is immers bedoeld om informatie van eiser op te halen en niet om informatie uit te wisselen. De opmerking die eiser hierover in zijn zienswijze heeft gemaakt is niet meegewogen in het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 oktober 2023 voor zover daarin is beslist dat de afvalligheid van eiser niet geloofwaardig is;
- vernietigt het besluit van 5 oktober 2023 voor zover dit ziet op de motivering van de ongeloofwaardigheid van de bekering tot het christendom, zoals benoemd in randnummer 13;
- vernietigt de conclusie van het bestreden besluit;
- draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.