ECLI:NL:RBDHA:2023:18993
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse asielzoeker geboren in 1933, diende op 17 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betwistte dit en stelde dat Nederland verantwoordelijk was geworden en dat hij bij terugkeer naar Oostenrijk een reëel risico liep op mishandeling en schending van zijn rechten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van de verantwoordelijkheid van Oostenrijk, mede op basis van Eurodac-gegevens en het fictief claimakkoord. De door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder eerdere mishandelingen in Oostenrijk en trauma, waren onvoldoende concreet en aannemelijk om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en het Amnesty International rapport boden geen grond om de aanvraag aan Nederland toe te wijzen.
De rechtbank vond geen motiveringsgebrek in het besluit en concludeerde dat eiser zich bij problemen in Oostenrijk kan beklagen bij de daarvoor geëigende autoriteiten. Er was geen sprake van onevenredige hardheid of een reëel risico op een met het Handvest strijdige behandeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de niet in behandeling neming gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Oostenrijk verantwoordelijk is en geen reëel risico op schending van rechten is aangetoond.