ECLI:NL:RBDHA:2023:19027
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling geen rechtmatig verblijf en verwijderingsmaatregel Unierecht
Eiser, een Poolse staatsburger die in juni 2019 uit Nederland werd uitgezet, verblijft sinds maart 2021 weer in Nederland zonder rechtmatig verblijf. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht en een verwijderingsmaatregel opgelegd. Eiser betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke belangen, dat de verwijderingsmaatregel in strijd is met het lex certa-beginsel en artikel 6 EVRM Pro, en dat verweerder een actieve informatieplicht heeft.
De rechtbank oordeelt dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij onder meer is meegewogen dat eiser een zwervend bestaan leidt, geen familie in Nederland heeft en overlast veroorzaakt. De verwijderingsmaatregel is niet in strijd met het lex certa-beginsel omdat de vaststelling van geen rechtmatig verblijf een declaratoir karakter heeft en eiser nieuw verblijfsrecht kan verkrijgen door daadwerkelijk en effectief Nederland te verlaten. Verweerder heeft geen actieve informatieplicht over het verblijfsrecht van eiser.
Ook is de verwijderingsmaatregel niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro, ondanks lopende strafzaken van eiser, omdat het aanwezigheidsrecht niet absoluut is en er voldoende waarborgen zijn voor een eerlijk proces. De opgelegde vertrektermijn van een maand is conform het arrest FS en een belangenafweging bij het opleggen daarvan is niet vereist. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling geen rechtmatig verblijf en de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard.