ECLI:NL:RVS:2023:3006
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsrecht en vertrektermijn gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 26 september 2022 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en haar opgedragen Nederland binnen één maand te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 15 december 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank, dat op 24 mei 2023 ongegrond werd verklaard.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vertrektermijn van één maand in overeenstemming is met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en dat er geen noodzaak is tot een langere termijn of aanvullende motivering. De grief van de vreemdeling faalde omdat zij geen concrete feiten of omstandigheden aanvoerde die een langere vertrektermijn rechtvaardigen.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 4 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.