Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in oppositie, met producties 1 tot en met 14;
Rechtbank Den Haag
SCT, een vennootschap die Covid-19 testen aanbiedt, werd geconfronteerd met een vordering van een advocatenkantoor voor juridische werkzaamheden. Nadat SCT de facturen niet betaalde, stelde de tegenpartij een dagvaarding in en verkreeg een verstekvonnis tot betaling van €93.596,57. SCT kwam in verzet tegen dit verstekvonnis en voerde onder meer aan dat het verzet niet tijdig was ingesteld en dat de facturen onvoldoende gespecificeerd waren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld, ondanks procedurele onjuistheden bij de dagvaarding, en dat SCT ontvankelijk was in het verzet. Inhoudelijk werd vastgesteld dat de vordering voldoende aannemelijk was, mede omdat een bestuurder van SCT de vordering eerder had erkend. De betwisting van de vordering door een andere bestuurder werd als onvoldoende gemotiveerd beoordeeld.
De rechter verwierp het verzet en bekrachtigde het verstekvonnis. SCT werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de tegenpartij. De procedure illustreert de noodzaak van correcte procesvoering en het belang van duidelijke en tijdige betwisting van vorderingen.
Uitkomst: Het verzet van SCT wordt afgewezen en het verstekvonnis tot betaling van €93.596,57 wordt bekrachtigd.