ECLI:NL:RBDHA:2023:19074

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2023
Publicatiedatum
7 december 2023
Zaaknummer
NL23.335845
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 29 augustus 2023 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en achtte deze tot 8 september 2023 rechtmatig.

De beoordeling richtte zich daarom op de rechtmatigheid van de maatregel na deze datum. Eiser stelde dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) onvoldoende voortvarend handelde en dat het zicht op uitzetting ontbrak, mede omdat een laissez-passer op 25 juli 2023 was aangevraagd zonder resultaat. Verweerder stelde dat er voldoende voortvarendheid was getoond, met meerdere rappels aan het Marokkaanse consulaat en een lopend lp-traject.

De rechtbank concludeerde op basis van de voortgangsrapportage dat verweerder actief heeft gewerkt aan de uitzetting en dat er geen aanwijzingen zijn dat de Marokkaanse autoriteiten niet zullen meewerken. Ook faalde het beroep op artikel 59, lid 3, Vw omdat eiser geen documenten heeft om uitzetting te realiseren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33845

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Verweerder heeft op 29 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de meeste recente uitspraak van 13 september 2023 (in de zaak NL23.25498) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 september 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de DT&V voor het laatst op 25 september 2023 met hem heeft gesproken en dat daaruit blijkt dat verweerder niet voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Eiser stelt bovendien dat het zicht op uitzetting ontbreekt, nu al op 25 juli 2023 een laissez-passer is aangevraagd, tot dusver zonder resultaat. Nu eiser meewerkend is volstaat, volgens hem, een meldplicht en dient in ieder geval de bewaring te worden beëindigd op grond van artikel 59, lid 3, Vw.
4. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat er voldoende voortvarend is gehandeld, nu er op 20 september 2023 middels een brief extra aandacht voor deze zaak is gevraagd bij het Marokkaanse consulaat te Amsterdam en er op 2 november 2023 laatstelijk gerappelleerd is. Daarnaast is verweerder van mening dat ten aan zien van Marokko in het algemeen zicht op uitzetting wordt aangenomen en dat eiser niet gemotiveerd heeft waarom dit voor hem anders zou zijn, zeker aangezien het lp-traject nog loopt. Tot slot stelt eiser dat een beroep op artikel 59, lid 3, Vw niet slaagt nu eiser wel wil vertrekken maar geen documenten voorhanden heeft om dit te realiseren.
5. De rechtbank stelt vast dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 25 juli 2023 een lp-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten heeft verzonden. Ook blijkt hieruit dat verweerder na het sluiten van het onderzoek op 8 september tweemaal schriftelijk heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag waarvan meest recentelijk op 12 oktober 2023. Uit de voortgangsrapportage volgt verder dat er op 20 september 2023 middels een brief extra aandacht voor deze zaak gevraagd is bij het Marokkaanse consulaat te Amsterdam en dat verweerder op 26 september 2023 nog een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser.
6. De rechtbank overweegt bovendien dat er vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser niet kunnen of willen overgaan tot de afgifte van een lp en dat daarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Marokko nog steeds van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan.
7. Tot slot oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht stelt dat een beroep op artikel 59, lid 3, Vw niet slaagt nu eiser inderdaad geen documenten voorhanden heeft om dit te realiseren.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.