Eiser had zijn bijstandsuitkering geblokkeerd zien worden door verweerder op grond van de Participatiewet per 1 augustus 2021. Na bezwaar verklaarde verweerder de blokkering onterecht, maar weigerde de proceskosten van eiser te vergoeden omdat deze kosten waren gemaakt door een professionele rechtsbijstandverlener die door de bewindvoerder was ingeschakeld.
Eiser stelde beroep in tegen deze weigering en verzocht tevens om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank behandelde het beroep op 3 oktober 2023, waarbij verweerder afwezig was.
De rechtbank oordeelde dat de blokkering onrechtmatig was en dat op grond van een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep de kosten van een beroepsmatig ingeschakelde rechtsbijstandverlener door een bewindvoerder in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank bepaalde dat verweerder de proceskosten in bezwaar en beroep aan eiser moest vergoeden, inclusief het griffierecht. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee maanden. Ook werden de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding vergoed.
De uitspraak werd gedaan door rechter N.E.M. de Coninck op 14 november 2023 en is openbaar.