In deze zaak betreft het een geschil over de vergoeding van kosten van rechtsbijstand die een professionele bewindvoerder heeft gemaakt bij het maken van bezwaar tegen een besluit van het college over de verrekening van bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering.
Het college had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit herroepen, maar de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afgewezen met het argument dat het maken van bezwaar tot de taken van de bewindvoerder behoort en dat de kosten daarom niet redelijkerwijs gemaakt zouden zijn. De rechtbank had deze afwijzing in stand gelaten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het uitgangspunt is dat kosten van een professionele rechtshulpverlener, zoals een bewindvoerder die een derde inschakelt, als redelijkerwijs gemaakt worden beschouwd en voor vergoeding in aanmerking komen. De specifieke kennis of ervaring van de bewindvoerder vormt geen reden om hiervan af te wijken.
Het college kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die rechtvaardigen dat van het forfaitaire vergoedingsbedrag wordt afgeweken. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van de kostenvergoeding betreft en veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op € 2.449,50.