ECLI:NL:RBDHA:2023:19423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander uit Oekraïne niet onrechtmatig
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming als derdelander uit Oekraïne te beëindigen per 4 september 2023. De rechtbank toetste het besluit aan de relevante Europese richtlijn en het uitvoeringsbesluit en concludeerde dat de staatssecretaris bevoegd was tot beëindiging van de bescherming voor de facultatieve groep waartoe eiser behoort.
De rechtbank oordeelde dat het besluit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, mede omdat de staatssecretaris de juiste voornemenprocedure heeft gevolgd en eiser de gelegenheid heeft gehad om een schriftelijke zienswijze in te dienen. Het standpunt van eiser dat hij individueel had moeten worden gehoord, werd verworpen.
Daarnaast werd het beroep op het evenredigheidsbeginsel afgewezen. De rechtbank vond dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming passend en noodzakelijk is om de opvangproblematiek in Nederland te beheersen en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom de inbreuk op zijn belangen onevenredig zou zijn.
Het beroep op ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro faalde eveneens, omdat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend die deze toetsing zou rechtvaardigen. Tot slot werd het betoog dat eiser recht heeft op bescherming als gezinslid op grond van een duurzame relatie verworpen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voor het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.