Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
permanenteverblijfsvergunning (…). Nu dit uitdrukkelijk zo bepaald is, komt de vraag op of ook tijdelijke bescherming geboden mag worden aan derdelanders met een
tijdelijkeverblijfsvergunning. De rechtbank merkt hierbij op dat het om verblijf op reguliere gronden moet gaan omdat derdelanders met een vluchtelingenstatus of een op grond van Oekraïens recht verleende beschermingsstatus reeds expliciet zijn aangemerkt als begunstigden van de RTB. Omdat het onder de werkingssfeer van de RTB brengen betekent dat de betreffende derdelander rechtmatig verblijf heeft op het grondgebied van de Unie, is het de vraag of zo ruimhartig mag worden omgegaan met de facultatieve bepaling en het bieden van tijdelijke bescherming in de Unie in verhouding staat met de (relatief) korte duur van verblijf in Oekraïne en of een beslissing om toepassing te geven aan de facultatieve bepaling door derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht op reguliere gronden onder de werkingssfeer van de RTB te brengen evenredig is en in overeenstemming kan worden geacht met het doel en de strekking van de RTB. Denkbaar is dat deze derdelanders enkel bescherming behoeven in de zin van toelating tot de Unie om vanuit de Unie op een veilige manier te kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, dan wel om te overwegen om een vergelijkbare reguliere verblijfsvergunning in een van de lidstaten van de Unie aan te vragen. De rechtbank constateert anderzijds dat dit, blijkens de bewoordingen van de RTB en het Uitvoeringsbesluit niet is uitgesloten. De RTB en het Uitvoeringsbesluit voorzien niet in een bepaling die een dergelijke toelating tot het grondgebied van de Unie en kortdurend verblijf bij wijze van doorgang om naar het land van herkomst terug te kunnen keren, regelt. Het kan ook zo zijn dat de Uniewetgever de mogelijkheid om juist deze categorie derdelanders tijdelijke bescherming te bieden aan de lidstaten heeft overgelaten, zodat de lidstaten de nationale behoeften aan bijvoorbeeld tijdelijke arbeidskrachten kunnen laten meewegen in de afweging om deze derdelanders tijdelijke bescherming krachtens de RTB te bieden. In de richtsnoeren wordt overwogen dat “(…) de categorie ontheemden “die gedurende kortere tijd vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verblijven zoals studenten en werknemers (…)”
in beginselgeen recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB hebben. Het gebruik van de bewoordingen “in beginsel” in de richtsnoeren duidt er niet op dat de Commissie het nimmer heeft beoogd of absoluut uitgesloten acht dat deze derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne een recht op tijdelijke bescherming kunnen verkrijgen, te meer nu direct onder deze passages de nadere uitleg over de facultatieve bepaling volgt.
dat landkunnen terugkeren.
om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprongkomen als diegenen die verplicht tijdelijk beschermd worden.
onderdanen van andere landen dan Oekraïneen die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar
hun land of regio van oorsprong kunnen(alle onderstrepingen door de rechtbank)
.
hun land of regio van oorsprong”.
de wijze waaropde facultatieve bepaling is toegepast in overeenstemming is met de bewoordingen en de ratio van de RTB. De facultatieve bepaling in het Uitvoeringsbesluit kent een bevoegdheid toe aan de lidstaten om de werkingssfeer van de RTB uit te breiden, maar benoemt de voorwaarde “niet veilig en duurzaam kunnen terugkeren naar hun land of regio van oorsprong” ten aanzien van onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven. Zoals hiervoor overwogen ziet dit op terugkeer naar het land van herkomst en niet op terugkeer naar Oekraïne. De rechtbank kent overigens geen betekenis toe aan de omstandigheid dat in de Nederlandse taalversies “land of regio van oorsprong” als terminologie is gehanteerd en dit niet overeenkomt met de doorgaans gehanteerde terminologie in het Verdragsrecht en Unierecht waarin de beschermingsbepalingen zijn neergelegd. De rechtbank merkt in dit verband op dat in de Engelse taalversies de term “country of origin” is gehanteerd en deze term wel gangbaar is in beschermingsbepalingen. De bewoordingen in het Uitvoeringsbesluit “onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven
endie niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren” suggereert dat het om twee cumulatieve voorwaarden gaat. Dit zou betekenen dat het toepassen van de facultatieve bepaling van deze derdelanders die niet de Oekraïense nationaliteit hebben en een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne slechts is toegestaan als deze veilige en duurzame terugkeer niet mogelijk is. Om de facultatieve bepaling op juiste wijze te kunnen toepassen zou dan moeten worden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan alvorens vastgesteld kan worden of een individuele derdelander in deze categorie kan worden ondergebracht. De RTB is echter nu juist tot stand gekomen om te voorkomen dat de asielstelsels van de lidstaten overbelast raken indien vele ontheemden de Unie inreizen om een gewapend conflict te ontvluchten. Indien de lidstaten ten aanzien van elke individuele derdelander die niet de Oekraïense nationaliteit heeft inhoudelijk moeten beoordelen of en onder welke omstandigheden terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is, zou de facultatieve bepaling strijdig zijn met de RTB en ontneemt dit zelfs het nuttig effect aan de RTB. Het zou immers juist de asielstelsels belasten omdat deze beoordeling een “risicotaxatie” inhoudt die doorgaans door juist de autoriteiten van die asielstelsels wordt verricht. Het is dan ook de vraag of sprake is van een strikte voorwaarde waaraan moet zijn voldaan en die dus eerst moet worden beoordeeld om rechtsgeldig toepassing te geven aan de facultatieve bepaling.
onder wie(…) en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren”. Dit geeft de lidstaten een bevoegdheid om, in wezen, eenieder die vanuit de regio of het land waar het gewapend conflict plaatsvindt, onder de werking van de RTB te brengen door de facultatieve bepaling toe te passen. Ook deze bewoordingen in deze bepaling van het Uitvoeringsbesluit sluiten niet uit dat de derdelanders van de categorie waartoe eiser behoort onder de werkingssfeer van de RTB gebracht kan worden zonder nadere individuele beoordeling. Indien de RTB en het Uitvoeringsbesluit zo worden uitgelegd, is de wijze waarop door de staatssecretaris toepassing is gegeven aan de facultatieve bepaling hiermee niet onverenigbaar en is de categorie derdelanders waartoe eiser behoort als geheel onder de werkingssfeer van de RTB gebracht. Partijen hebben ter zitting aangegeven geen bezwaren te zien in de wijze van toepassen van de facultatieve bepaling en het door verweerder niet beoordelen of een veilige en duurzame terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is. Beide partijen stellen zich op het standpunt dat dit geen gevolgen heeft en deze gehele categorie onder de werkingssfeer van de RTB is gebracht.
nadienhiervan onverwijld mededeling wordt gedaan. Ook indien verweerder in gebreke zou zijn met het voldoen aan deze verplichting, zou dit niet leiden tot de conclusie dat op onjuiste wijze toepassing zou zijn gegeven aan de facultatieve bepaling, dan wel dat de toepassing van de facultatieve bepaling niet van kracht zou zijn geworden. Beide partijen hebben ter zitting aangegeven dat meerdere lidstaten toepassing hebben gegeven aan de facultatieve bepaling en zo de werkingssfeer van de RTB hebben uitgebreid. EUAA heeft in het rapport “Providing Temporary Protection to Displaced Persons from Ukrain”, van maart 2023 vermeld dat 21 lidstaten gebruik hebben gemaakt van de facultatieve bepaling en dus tijdelijke bescherming hebben verleend aan categorieën ontheemden waartoe het Uitvoeringsbesluit niet verplicht.
endie niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren” veronderstelt een individuele beoordeling van het risico bij terugkeer, terwijl de ratio van de RTB nu juist is dat wordt voorkomen dat de asielstelsels worden belast. Bovendien lijkt de toevoeging “onder wie…” te betekenen dat ook anderen, zoals personen die wel veilig kunnen terugkeren, onder de werkingssfeer van de RTB kunnen worden gebracht. Als deze bepaling zo ruim kan worden uitgelegd, kan eenieder die ontheemd is geraakt door het conflict in Oekraïne door de individuele lidstaten onder de werkingssfeer van de RTB worden gebracht. Echter, indien de bedoeling is geweest van de facultatieve bepaling, valt niet in te zien waarom dit niet eenvoudigweg zo simpel is bepaald. De richtsnoeren wijzen er op dat er wel een individuele beoordeling dient plaats te vinden van de mogelijkheid om terug te keren naar het land van herkomst, maar in de richtsnoeren wordt vervolgens een beoordelingskader aangelegd dat niet overeenkomt met het toetsingskader dat ten aanzien van verzoeken om internationale bescherming wordt gehanteerd.
méér categorieën van ontheemdentijdelijke bescherming te verlenen, ook een bevoegdheid om het aanwenden van deze bevoegdheid naar eigen inzicht en op elk moment te staken of te herroepen en de tijdelijke bescherming die
individuele begunstigdenreeds aan de RTB ontlenen te beëindigen. Dit is -naar het oordeel van de rechtbank- onjuist.
als begunstigden van de RTBbepaald door het Unierecht. De rechtspositie van tijdelijk beschermde ontheemden valt daardoor buiten de competentie van de nationale autoriteiten. De opmerking in het verweerschrift over de toetsing van algemeen verbindende voorschriften in het nationale recht is daarom niet relevant, want het Unierecht bepaalt welke bevoegdheden en verplichtingen de lidstaten hebben ten aanzien van begunstigden van de RTB. De toepassing van de facultatieve bepaling kan (wellicht) worden beëindigd voor “de
categoriederdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht” zodat er geen ontheemden die zich nog gaan melden onder de werkingssfeer van de RTB worden gebracht. Maar als aan een individuele derdelander zoals eiser echter reeds tijdelijke bescherming is verleend en deze derdelander dus begunstigde van de RTB is geworden, heeft verweerder geen bevoegdheid om de rechtspositie van deze derdelander te wijzigen. De RTB voorziet niet in een “facultatieve bepaling” voor de lidstaten om ten aanzien van ontheemden die reeds tijdelijke bescherming aan de RTB ontlenen, deze status als begunstigde van de RTB te beëindigen.
kanworden verlengd, wil niet zeggen dat er een nieuwe periode van tijdelijke bescherming aanvangt bij verlenging, maar betekent enkel dat de tijdelijke bescherming ook kan worden beëindigd. De mogelijkheid van verlenging is enkel aan de orde als de maximale duur nog niet is bereikt of de Raad niet beslist tot beëindiging. In dat geval geschiedt de verlenging automatisch en is dus geen besluit van de Raad vereist. De rechtbank vermag in het geheel niet in te zien dat enkel omdat de regeling niet voorziet in het verlenen van “tijdelijke bescherming voor onbepaalde tijd”, maar de RTB een regeling bevat die steeds bepaalt voor welke duur een verlenging (maximaal) kan geschieden, er sprake zou zijn van beslismomenten op welke de individuele lidstaten bevoegd zouden zijn om reeds verleende bescherming (op grond van de facultatieve bepaling) te beëindigen. Voor dit standpunt is geen enkele steun te vinden in de bewoordingen en strekking van de bepalingen in de RTB die zien op de duur, verlenging en beëindiging van de tijdelijke bescherming.
de” tijdelijke bescherming eindigt.
categorieën ontheemden. Dit is ook logisch omdat de ratio van de Tijdelijke Beschermingsregeling is om ontheemden te beschermen zonder dat de lidstaten de individuele beschermingsbehoefte van iedere ontheemde hoeven te onderzoeken en te beoordelen en zo de asielstelsels van de lidstaten te ontzien. De RTB kent, zoals hiervoor overwogen, in artikel 28 een Pro bepaling die wel een individuele beoordeling vergt van de gedragingen van de betrokkene. Indien een lidstaat gebruik wil maken van de bevoegdheid om een ontheemde uit te sluiten van tijdelijke bescherming, zijn een op de ontheemde toegespitste motivering en een evenredigheidstoets vereist.
de” tijdelijke bescherming wordt beëindigd. Hieruit blijkt evident dat dit uitsluitend aan de orde is als de maximale duur van “de” tijdelijke bescherming is bereikt of wanneer de Raad, voordat de maximale duur is bereikt, hiertoe met een gekwalificeerde meerderheid besluit. Wel is bepaald dat elke lidstaat de Commissie kan verzoeken een voorstel tot beëindiging van de tijdelijke bescherming in te dienen dat vervolgens dan ook wordt onderzocht. In artikel 6, tweede lid, van de RTB is bepaald dat de Raad vervolgens zijn besluit baseert op de situatie in het land van oorsprong. Zoals hiervoor overwogen interpreteert de rechtbank de term “land van oorsprong” zoals dat in de RTB is gebruikt als land waar het gewapend conflict plaats heeft. De beëindiging van de tijdelijke bescherming is niet gedifferentieerd en gerelateerd naar gelang de categorie aan wie tijdelijke bescherming is verleend en ziet dus op alle begunstigden van de RTB. De RTB bevat geen enkele bepaling of aanwijzing dat tijdelijke bescherming voor de ene categorie eerder kan worden beëindigd dan voor de andere categorie. Ook dit steunt de rechtbank in haar analyse dat de lidstaten dus geen eigen bevoegdheid hebben om de tijdelijke bescherming die zij hebben verleend te beëindigen voor een specifieke categorie, ook niet als de lidstaten niet verplicht zijn om aan die specifieke categorie bescherming te verlenen. Het beëindigingsregime is gedetailleerd en expliciet geregeld in de RTB en heeft op gelijke wijze betrekking op alle begunstigden en dragers van het recht op tijdelijke bescherming.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
BIJLAGE – JURIDISCH KADER
a) „tijdelijke bescherming”: een procedure met een uitzonderlijk karakter die, in geval van massale toestroom of een imminente massale toestroom van ontheemden afkomstig uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren, aan deze mensen onmiddellijke en tijdelijke bescherming biedt, met name wanneer tevens het risico bestaat dat het asielsysteem deze toestroom niet kan verwerken zonder dat dit leidt tot met de goede werking ervan strijdige gevolgen, in het belang van de betrokkenen en andere personen die om bescherming vragen;
(…)
i) personen die uit door een gewapend conflict of inheems geweld getroffen gebieden hebben moeten vluchten;
1. Onverminderd artikel 6 duurt Pro de tijdelijke bescherming één jaar. Wanneer de bescherming niet op grond van artikel 6, lid 1, onder b), wordt beëindigd, kan deze automatisch met telkens zes maanden worden verlengd voor maximaal één jaar.
2. Indien er aanleiding blijft om tijdelijke bescherming te verlenen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om bij de Raad een voorstel in te dienen, onderzoekt, besluiten de tijdelijke bescherming met maximaal één jaar te verlengen
1. De massale toestroom van ontheemden wordt vastgesteld bij een besluit van de Raad dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt genomen op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om de Raad een voorstel voor te leggen, onderzoekt.
2. Het voorstel van de Commissie omvat ten minste:
a) de omschrijving van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming van toepassing is;
(…)
3. Het besluit van de Raad heeft tot gevolg dat de ontheemden waarop het betrekking heeft in alle lidstaten tijdelijke bescherming krijgen, overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. (…)
1. De tijdelijke bescherming wordt beëindigd:
a) wanneer de maximale duur is bereikt, hetzij
1. De lidstaten kunnen andere categorieën ontheemden dan die welke onder het in artikel 5 bedoelde Pro besluit van de Raad vallen, tijdelijke bescherming krachtens deze richtlijn bieden ingeval deze om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprong komen. Zij stellen de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
1. Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon:
a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven;