ECLI:NL:RBDHA:2023:19455
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling wegens vertrek voor peildatum
Verzoeker, van Oekraïense nationaliteit, vroeg tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG. Verweerder weigerde dit omdat verzoeker al vóór de peildatum van 27 november 2021 Oekraïne had verlaten en niet ontheemd was geraakt door het conflict. Verzoeker verbleef sinds juli 2022 in Nederland en was geen gezinslid van een beschermde persoon.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker niet onder de doelgroep van de Richtlijn valt, omdat tijdelijke bescherming alleen geldt voor personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt door de militaire invasie. Verzoeker vertrok eerder om andere redenen. Verzoekers bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.
Verder stelde verzoeker motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken en het niet toepassen van het evenredigheidsbeginsel aan de orde, maar de voorzieningenrechter vond dat verweerder geen belangenafweging hoefde te maken omdat er geen rechten werden ontnomen. Ook was het afzien van het horen in bezwaar gerechtvaardigd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker werd vrijgesteld van griffierecht. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.