ECLI:NL:RBDHA:2023:1947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 februari 2023
Publicatiedatum
21 februari 2023
Zaaknummer
NL22.26291
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening nr. (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië

Eiser, een Syrische jongvolwassene, diende op 17 mei 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien eiser op 10 april 2022 illegaal Italië was binnengekomen.

Eiser voerde aan dat hij niet naar Italië overgedragen kan worden vanwege een circulair letter van de Italiaanse Dublin-Unit waarin tijdelijke opschorting van overdrachten wordt gevraagd, en verwees naar zijn bijzondere gezinsbanden in Nederland. Hij baseerde zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke opschorting een feitelijk overdrachtsbeletsel is dat niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit. De bijzondere omstandigheden van eiser, waaronder zijn gezinsbanden, zijn onvoldoende om de overdracht aan Italië te weigeren. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26291

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 17 mei 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 april 2022 illegaal Italië is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. [2] De autoriteiten van Italië hebben op 6 september 2022 dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertegen het volgende aan. Eiser kan niet worden overgedragen naar Italië en verwijst daarbij naar een circulair letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022, waarin de Italiaanse autoriteiten verzoeken om tijdelijke opschorting van gereguleerde overdrachten en naar uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank. [3] Tevens stelt eiser dat hij een bijzondere gezinsband heeft zijn neefjes die in Nederland mogen verblijven. Met één van zijn neefjes heeft hij de gevaarlijke reis vanuit Libië naar Nederland ondernomen, waardoor een hechte band is ontstaan. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij met deze grond een beroep doet op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Daarnaast wijst eiser erop dat hij een jongvolwassene is en dat zijn broer en diens gezinsleden reeds in Nederland verblijven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. Eiser is hier niet in geslaagd.
6. Uit de circulair letter van 5 december 2022 volgt dat sprake is van een verzoek tot tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder kenbaar gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten de overdrachten voor de tweede week van februari hebben geannuleerd. Hoewel hieruit volgt dat nog niet duidelijk is wanneer de overdrachten weer zullen worden hervat heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze opschorting nog steeds heeft te gelden als een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel en dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid van Italië voor eisers asielaanvraag onrechtmatig is. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling [4] van 8 april 2020 [5] en 30 oktober 2020 [6] betreffende een circulair letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel betrof. Dat op dit moment onbekend is hoelang de opschorting zal duren staat er niet aan in de weg dat eiser alsnog kan worden overgedragen indien de opschorting voor het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn wordt opgeheven. Wanneer eiser niet binnen de uiterste overdrachtstermijn kan worden overgedragen, zal hij vervolgens worden opgenomen in de nationale procedure. De circulair letter heeft dan ook niet tot gevolg dat verweerder op voorhand moet afzien van de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat of hierom toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft evenmin in de door eiser aangevoerde omstandigheden omtrent zijn neefjes en het zijn van een jongvolwassene aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich te trekken. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit geen dusdanige bijzondere, individuele omstandigheden zijn, die maken dat overdracht aan Italië in eiser zijn geval van onevenredige hardheid getuigen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.
3.Uitspraken van zittingsplaats Utrecht van 29 december 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:5701) en 13 januari 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:87 en ECLI:NL:RBDHA:2023:225) en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:139).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.