ECLI:NL:RBDHA:2023:19572
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering WW-uitkering wegens opzegtermijn
Eiseres heeft een WW-uitkering aangevraagd per 1 februari 2022 na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst bij Museum. Verweerder wees de aanvraag af omdat de opzegtermijn van drie maanden nog niet was verstreken, waardoor de uitkering pas per 1 april 2022 kan ingaan. Eiseres stelde dat alleen de duur van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in aanmerking moest worden genomen, wat zou leiden tot een opzegtermijn van twee maanden en een eerdere uitkeringsdatum.
De rechtbank oordeelde dat de opzegtermijn terecht is berekend op basis van de totale duur van de dienstbetrekking, inclusief de voorafgaande contracten voor bepaalde tijd, conform artikel 7:668a BW. De Hoge Raad-uitspraak van 2018 was niet van toepassing omdat die een andere situatie betrof. Ook werd geoordeeld dat het bezwaar tegen het tweede besluit (herziening) niet slaagt omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat de opzegtermijn van drie maanden correct is toegepast.