ECLI:NL:CRVB:2011:BR2157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep kort geding
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens opzegtermijnberekening
Appellante was sinds 1 april 1997 in dienst bij verschillende Rabobank-vestigingen en trad op 1 november 2005 in dienst bij de laatste werkgever, [Werkgever C]. Na ondertekening van een beëindigingsovereenkomst per 1 oktober 2008 weigerde het UWV haar WW-uitkering toe te kennen met als reden dat een fictieve opzegtermijn tot 30 november 2008 zou gelden vanwege de duur van haar totale dienstverband bij de Rabobank.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opeenvolgende dienstverbanden als één geheel moesten worden beschouwd, waarbij verwezen werd naar eerdere jurisprudentie. In hoger beroep betoogde appellante dat elke Rabobank-vestiging een zelfstandige onderneming is en dat alleen de laatste arbeidsovereenkomst relevant is voor de opzegtermijn.
De Raad oordeelde dat sinds de invoering van de Wet flexibiliteit en zekerheid de opzegtermijn wordt berekend op basis van de duur van de individuele arbeidsovereenkomst op het moment van opzegging, tenzij de arbeidsovereenkomst of CAO anders bepalen. Dit was niet het geval. De verwijzing naar eerdere arbeidsovereenkomsten was niet relevant voor de opzegtermijn, maar slechts voor andere regelingen zoals anciënniteit.
Daarom moest alleen worden uitgegaan van de duur van de arbeidsovereenkomst met [Werkgever C], die korter dan vijf jaar was, waardoor de fictieve opzegtermijn op 1 oktober 2008 was verstreken. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Raad bepaalde dat appellante recht heeft op een WW-uitkering over oktober en november 2008. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en appellante krijgt WW-uitkering over oktober en november 2008 toegekend.