ECLI:NL:RBDHA:2023:19623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2023
Publicatiedatum
13 december 2023
Zaaknummer
NL23.18649
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Nederland Duitsland verantwoordelijk acht voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2023 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde afwezig waren. De rechtbank beoordeelde of verweerder terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen, mede aan de hand van de door eiseres aangevoerde gronden.

Eiseres stelde dat verweerder ten onrechte geen toepassing gaf aan artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening, omdat zij afhankelijk zou zijn van haar broer en moeder die in Nederland verblijven en haar ondersteunen bij het verwerken van traumatische gebeurtenissen in Duitsland. De rechtbank oordeelde dat de familieband niet wordt betwist, maar dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van medische of feitelijke afhankelijkheid zoals vereist onder artikel 16.

Ook voor toepassing van artikel 17 zag Pro de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht is genomen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18649
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kowsari).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres omdat Duitsland daarvoor door verweerder verantwoordelijk wordt gehouden. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. Eiseres voert aan dat verweerder in haar persoonlijke situatie aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan artikel 16 of Pro 17, eerste lid van de Dublinverordening. Verweerder heeft ten onrechte de gezinsband tussen eiseres en haar broer en moeder niet aangenomen. Daarnaast is volgens eiseres sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen haar en haar broer en moeder. Eiseres heeft in Duitsland traumatische gebeurtenissen meegemaakt door toedoen van haar ex-echtgenoot. Haar broer en moeder helpen eiseres om deze traumatische gebeurtenissen te verwerken. Verweerder heeft dit onvoldoende bij de besluitvorming in het kader van artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening betrokken.
6. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening zorgen lidstaten er, wanneer een verzoeker wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd afhankelijk is van de hulp van een kind, broer, zus of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, normaal gesproken voor dat verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met het in dit artikel bedoelde familielid op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden en het in dit artikel bedoelde familielid in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op zitting heeft gesteld dat de familieband tussen eiseres en haar broer en moeder niet (langer) wordt betwist. In het geval van eiseres mocht verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat onvoldoende is onderbouwd dat eiseres afhankelijk is van haar broer en moeder als bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Eiseres heeft haar stelling niet met (medische) stukken onderbouwd. Eiseres zou traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt en zij zou steun vinden bij haar broer en moeder. Hieruit blijkt dat eiseres voornamelijk emotionele steun vindt bij haar familie en niet dat eiseres (medisch) afhankelijk is van haar broer en moeder of dat haar broer en moeder afhankelijk zijn van de hulp van eiseres. Eiseres en haar broer en moeder nemen niet een zodanig unieke positie in als zorgverlener dat zij niet of zeer moeilijk door anderen te vervangen zijn.2
7. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd zijn niet bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken en het asielverzoek van eiseres in behandeling had moeten nemen. Het is begrijpelijk dat eiseres bij haar broer en moeder in de buurt wil blijven, maar de Dublinverordening is niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familielid in Nederland kan worden verkregen: hiervoor staan andere regelingen open. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat niet is gebleken van omstandigheden die zodanig zijn dat overdracht in dit geval van onevenredige hardheid zou getuigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

8. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen.
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2296.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2023

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.