Eiseres was sinds oktober 2021 oproepmedewerkster bij een werkgever en nam in juli 2022 ontslag. Zij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend maar later werd ingetrokken wegens het niet indienen van inkomstenopgaveformulieren. Een nieuwe aanvraag werd door het UWV afgewezen omdat eiseres verwijtbaar werkloos was geworden door vrijwillig ontslag zonder dat er een acute noodzaak was.
Eiseres stelde dat er sprake was van een ernstig verstoorde werkrelatie en dat zij onterecht werd beschuldigd van diefstal, waardoor voortzetting van het dienstverband niet van haar kon worden gevergd. De rechtbank oordeelde dat eiseres andere wegen had kunnen bewandelen, zoals het inschakelen van een advocaat of het ziekmelden bij het UWV, en dat de situatie niet zodanig onhoudbaar was dat ontslag gerechtvaardigd was.
De rechtbank wees ook het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat de eerdere toekenning van een WW-uitkering geen toezegging inhield voor een nieuwe aanvraag, mede omdat het UWV niet op de hoogte was van de reden van ontslag bij het eerste besluit.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.