Eiser, van Afghaanse nationaliteit, stelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat de digitale handtekening niet geverifieerd kon worden. De rechtbank verifieerde de elektronische handtekening en concludeerde dat deze rechtsgeldig was.
Verweerder had de maatregel opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordeningen en een significant risico op onttrekking aan toezicht. Eiser betwistte de gronden niet, en de rechtbank vond deze feitelijk juist en voldoende toegelicht.
Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat er een motiveringsgebrek was omdat zijn spijt om naar Engeland te reizen niet was betrokken. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste en dat het motiveringsgebrek niet aannemelijk was.
Hoewel verweerder niet voldeed aan alle formele vereisten van artikel 5.3 Vb bij uitreiking van de maatregel, vond de rechtbank dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid omdat eiser toch zijn procedurele rechten kon uitoefenen met toegewezen rechtsbijstand.
De ambtshalve toets leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid gedurende de bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.