De rechtbank Den Haag heeft op 14 december 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de ophouding onterecht was en dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 5.3 lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000 was geschonden. De rechtbank oordeelde dat eiser terecht was opgehouden omdat zijn identiteit bij aanvang onvoldoende duidelijk was en dat de staatssecretaris niet voldeed aan het schriftelijkheidsvereiste. Dit gebrek maakte de maatregel echter niet onrechtmatig na belangenafweging.
De rechtbank stelde vast dat eiser zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving aan het toezicht had onttrokken, geen vaste woon- of verblijfplaats had en niet over voldoende middelen van bestaan beschikte. Deze gronden, tezamen, droegen de maatregel van bewaring. De grond dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen was onvoldoende gemotiveerd en kon de maatregel niet dragen.
De rechtbank vond dat een lichter middel niet effectief zou zijn en dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkte aan de overdracht van eiser naar Spanje, die gepland stond op 14 december 2023. Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.