ECLI:NL:RBDHA:2023:19879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
NL23.27325
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 4 DublinverordeningArt. 6:162 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Tsjechië

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. De rechtbank heeft het beroep behandeld en onderzocht of Nederland de asielaanvraag aan zich moest trekken vanwege het ontbreken van vertrouwen in het Tsjechische asielrechtsysteem.

Eiseres stelde dat er in Tsjechië geen effectief rechtsmiddel bestaat, onderbouwd met een rapportage van de Hungarian Helsinki Committee. De rechtbank oordeelde echter dat uit deze rapportage niet blijkt dat rechterlijke uitspraken in Tsjechië structureel niet worden opgevolgd, zodat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is aangetast.

Verder besprak de rechtbank de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwees naar jurisprudentie en een conclusie van de advocaat-generaal. De rechtbank handhaafde de lijn dat het vertrouwensbeginsel deelbaar is en dat het beroep niet kan worden aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd mondeling gedaan op 7 december 2023 en is openbaar gepubliceerd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27325
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock en mr. R.A. Mandersloot).

Procesverloop

In het besluit van 1 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Tsjechië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2023 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock. Ter zitting is het beroep aangehouden vanwege het niet verschijnen van de tolk.
Op 7 december 2023 heeft de rechtbank het beroep opnieuw op een zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Mandersloot. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, aangezien zij met een Tsjechisch visum naar Europa is gekomen. Wel in geschil is of Nederland de asielaanvraag van eiseres aan zich moet trekken. Dat is verplicht als niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
2. In de eerste plaats voert eiseres aan dat er in Tsjechië geen effectief rechtsmiddel wordt geboden. Dat blijkt volgens eiseres uit de rapportage van het
Hungarian Helsinki Committeevan 17 oktober 2022. [1] Verweerder heeft echter terecht aangevoerd dat daaruit niet is af te leiden dat vonnissen van nationale en Europese rechters structureel niet worden opgevolgd. Er dient dus van uit te worden gegaan dat er in Tsjechië voor asielzoekers een effectief rechtsmiddel is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is in zoverre niet aangetast.
3. Ten tweede is de vraag of kan worden uitgegaan van de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft gewezen op rechtspraak van lagere rechters [2] en op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [3] De lijn van deze zittingsplaats is dat er niet wordt aangehouden in Dublinzaken in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen uit 2022 over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Er dient nog steeds van de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel te worden uitgegaan. Dat is geldend recht. Er is een conclusie van de advocaat-generaal [5] die ook uitgaat van deelbaarheid, maar daar kunnen volgens eiseres geen gevolgen aan worden verbonden. Maar dat kan evenmin aan het stellen van prejudiciële vragen als zodanig. Het is bekend dat de Afdeling in Dublin-Polen-zaken verzoeken om een voorlopige voorziening toewijst. Maar het is ook bekend dat dit bij Dublinzaken over andere lidstaten niet gebeurt. Er dient daarom nog steeds te worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Om die reden bestaat er geen aanleiding om het beroep aan te houden.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Hungarian Helsinki Committee, ‘Implementing judgments in the field of asylum and migration on odd days’, 17 oktober 2022.
2.Voorzieningenrechter rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 27 maart 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:1415, en 8 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5287.
3.Voorzieningenrechter Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4111.
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
5.Conclusie van advocaat-generaal J. Richard de la Tour van 13 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:593.