ECLI:NL:RBDHA:2023:19903

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
NL23.37093
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 16 TerugkeerrichtlijnArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding toegekend voor onrechtmatige vreemdelingenbewaring in politiecel

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld vanwege een mogelijk overdracht volgens de Dublinverordening en risico op ontduiking van toezicht. De maatregel werd opgeheven voordat het beroep werd behandeld.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was. Eiser stelde dat de detentie in een politiecel in strijd was met artikel 16 van Pro de Terugkeerrichtlijn, omdat bewaring in beginsel in een gespecialiseerde inrichting moet plaatsvinden. Verweerder stelde dat de maatregel niet onrechtmatig was, maar erkende dat schadevergoeding vanaf dag twee van onrechtmatige detentie mogelijk was.

De rechtbank volgde eiser en stelde vast dat de bewaring onrechtmatig was omdat geen bijzondere omstandigheden waren die plaatsing in een niet-gespecialiseerde inrichting rechtvaardigden. Op grond van recente jurisprudentie was de bewaring van meet af aan onrechtmatig.

De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €390,- voor drie dagen onrechtmatige bewaring in een politiecel en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €837,- aan de rechtsbijstandverlener. Het beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €390,- toe voor onrechtmatige vreemdelingenbewaring in een politiecel en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37093

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 24 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 27 november 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op
4 december 2023 een verweerschrift ingediend. Op 6 december 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring ten onrechte in een politiecel heeft plaatsgevonden. Dat is in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De bewaring is om die reden van meet af aan onrechtmatig.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in een geval als deze een bevel tot wijziging van de tenuitvoerlegging gegeven zou moeten worden, maar dat dat vanwege de opheffing van de bewaring zinledig is geworden. De maatregel van bewaring is niet onrechtmatig, maar er bestaat een recht op schadevergoeding vanaf de dag dat eiser uitgeplaatst had moeten worden naar een speciale inrichting. Omdat verweerder 24 uur de tijd heeft om iemand uit te plaatsen bestaat een recht op schadevergoeding vanaf dag twee, oftewel vanaf 23 november 2023.
6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond slaagt. Voor bewaring wordt in de regel gebruik gemaakt van een gespecialiseerde inrichting. Dit is een Unierechtelijke voorwaarde voor bewaring. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een vreemdeling alleen in een niet-gespecialiseerde inrichting kan worden geplaatst als de bijzondere omstandigheden van het geval dat rechtvaardigen [1] . Daarvan is in dit geval niet gebleken. De bewaring is om die reden onrechtmatig en uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bewaring in een geval als deze van meet af aan onrechtmatig is. [2] Het beroep is gegrond en eiser heeft recht op schadevergoeding.
Schadevergoeding en proceskostenvergoeding
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor drie dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel van (3 x € 130,- (verblijf politiecel)) = € 390,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 390,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Remerie, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.HvJEU 2 juli 2020, W.M., ECLI:EU:C:2020:511.
2.AbRS 7 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3409.