ECLI:NL:RBDHA:2023:19918

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
NL23.20741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser stelde dat Griekenland als eerste lidstaat verantwoordelijk is en dat Nederland de aanvraag moet behandelen vanwege de onmogelijkheid om vreemdelingen naar Griekenland over te dragen. Hij verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

De staatssecretaris betoogde dat Kroatië wel degelijk verantwoordelijk is, omdat Nederland een terugnameverzoek aan Kroatië heeft gedaan dat door Kroatië is aanvaard. De rechtbank volgde dit standpunt, mede omdat de eerdere uitspraak waarnaar eiser verwees door de hoogste bestuursrechter was vernietigd.

De rechtbank concludeerde dat de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20741
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend [1] .
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.20742, op 19 september 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 [2] . Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Eiser betoogt – in het kort – dat Kroatië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij heeft in eerste instantie een asielverzoek gedaan in Griekenland, waardoor dat land als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangemerkt. Door de onmogelijkheid om vreemdelingen naar Griekenland over te dragen, moet Nederland de asielaanvraag aan zich trekken. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaat Amsterdam [4] .
Verweerder heeft op de zitting betoogd dat Kroatië wel degelijk de verantwoordelijke lidstaat is. Verweerder heeft alle relevante informatie vermeld bij het claimverzoek en Kroatië heeft het verzoek geaccepteerd. Verder is de uitspraak waarnaar eiser heeft verwezen door de hoogste bestuursrechter vernietigd [5] . Nu die zaak vergelijkbaar is met de zaak van eiser, bevestigt de uitspraak van de hoogste bestuursrechter juist dat in het geval van eiser Kroatië verantwoordelijk is.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om niet van de door Kroatië geaccepteerde claim uit te gaan. Verweerder heeft alle relevante informatie bij het claimverzoek vermeld en de Kroatische autoriteiten hebben daarin geen reden gezien om van een claimakkoord af te zien. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Kroatië vast komen te staan. Het beroep is daarom ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2023 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.NL23.20742.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Zaaknummer NL23.14953.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2998.