ECLI:NL:RBDHA:2023:20036

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
NL23.34952, NL23.34953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening

Eiser, met de Turkse nationaliteit, diende op 19 augustus 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser betwistte dit en stelde dat hij slechts kort in Kroatië verbleef en slachtoffer was van pushbacks en onmenselijke behandeling.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Kroatië wordt geacht haar internationale verplichtingen na te komen. Eiser slaagde er niet in met concrete aanwijzingen aan te tonen dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest.

Ook concludeerde de rechtbank dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden waren die verweerder aanleiding gaven om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.34952 (beroep) en NL23.34953 (voorlopige voorziening).

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1.1.
Eiser heeft op 19 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
1.2.
Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 3 november 2023 niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL23.34952) ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL23.34953) te treffen.
1.4
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 augustus 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend bij de autoriteiten van Kroatië. Eiser bestrijdt dit en stelt slechts één nacht in Kroatië te zijn verbleven, opgepakt te zijn en vervolgens naar een treinstation te zijn gebracht. Eiser is per trein Nederland ingereisd en heeft op 19 augustus 2023 een asielaanvraag gedaan bij het aanmeldcentrum in Ter Apel.
Wat heeft verweerder besloten?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder geconcludeerd dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft daarom een verzoek tot terugname gedaan aan de Kroatische autoriteiten. Dit verzoek is op 11 oktober 2023 geaccepteerd.
4. Na kennisname van de zienswijze van eiser heeft verweerder bij het bestreden besluit geconcludeerd dat voor Kroatië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden aangetoond die verweerder aanleiding moesten geven om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken, op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Omdat Kroatië verantwoordelijk is, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met de recente uitspraak [2] van de hoogste bestuursrechter en stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is namelijk sprake van systematische tekortkomingen in het asielsysteem in Kroatië, omdat er - ondanks de belofte gemaakt door de Kroatische autoriteiten - nog steeds evident pushbacks plaatsvinden. Eiser verwijst in dit kader naar een recente uitspraak [3] van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, die vanwege de evidente pushbacks in Kroatië en de gestelde ondeelbaarheid van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, de overdracht van een vreemdeling aan Kroatië geschorst heeft. De Kroatische autoriteiten kunnen niet vertrouwd worden volgens eiser en verweerder mag dan ook geen waarde hechten aan expliciete claimakkoorden die door Kroatië worden afgegeven. Ook heeft verweerder ten onrechte geen aanleiding gezien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken vanwege bijzondere individuele omstandigheden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser is in Kroatië namelijk slachtoffer geworden van pushbacks en een onmenselijke behandeling. Tot slot wordt een beroep gedaan op een uitspraak [4] van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2023.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6.1
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. De hoogste bestuursrechter heeft in een recente uitspraak [5] geoordeeld dat verweerder bij het overdragen van Dublinclaimanten aan Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling zo, dat uit de informatie van de Kroatische autoriteiten van 15 november 2022 en de daarop door verweerder opgestelde beslisnota [6] van 21 december 2022 volgt dat overgedragen Dublinclaimanten niet het risico lopen om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling heeft daarbij ook van belang geacht dat deze informatie niet wordt weersproken door andere beschikbare landeninformatie en dat verweerder zich op basis van deze bevindingen terecht op het standpunt heeft mogen stellen dat voor Kroatië mag worden uit gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel ervan mag uitgaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten zoals eiser zal nakomen. Het is in dat geval aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdacht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [7] en artikel 4 van Pro het Handvest [8] strijdige behandeling.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet met concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder zijn internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten of hem in het bijzonder niet zal nakomen. Eiser heeft zijn ervaringen met de opvangsituatie in Kroatië niet met documenten kunnen onderbouwen en heeft evenmin onderbouwd dat ook Dublinclaimanten voor pushbacks hebben te vrezen. Anders dan de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die zijn gesteld over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de eerder genoemde uitspraak [9] van de hoogste bestuursrechter van 13 september 2023. In rechtsoverweging 3.1 van die uitspraak is overwogen dat de mogelijke tekortkomingen in het asielsysteem in Kroatië door bijvoorbeeld pushbacks aan de buitengrenzen er niet toe leiden dat voor Dublinclaimanten in het algemeen of voor eiser in het bijzonder het risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM bestaat. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
6.3
Tot slot heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat van bijzondere, individuele omstandigheden om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken niet is gebleken. De gestelde mishandeling door de Kroatische politie maakt dit niet anders, gelet op de summiere verklaringen die eiser hierover heeft afgelegd. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat eiser zich bij het optreden van dergelijke problemen niet zou kunnen beklagen bij de bevoegde autoriteiten. De uitspraak waar eiser in dit verband naar verwijst, is niet vergelijkbaar met eisers geval, nu daarbij een uitgebreidere verklaring aan de orde was die door verweerder onvoldoende bij de beoordeling was betrokken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit [10] .
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak op het beroep, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen verzet of hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
3.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5139.
4.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15489.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
6.zie deze link: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/01/20/tk-beslisnota-bij-kamerbrief-inzake-dublinoverdrachten-aan-kroatie.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
10.Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid van de Awb.