ECLI:NL:RBDHA:2023:20070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander uit Oekraïne conform EU-richtlijn
Eiser, een derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne voor studie geneeskunde, betwistte het besluit van de staatssecretaris om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. Hij stelde dat hij onder de doelgroep van de EU-Richtlijn 2001/55/EG viel en dat het besluit onrechtmatig was vanwege schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, onvoldoende belangenafweging en het niet toepassen van artikel 9 van Pro de Richtlijn.
De rechtbank oordeelde dat het toepassingsbereik van de Richtlijn beperkt is tot derdelanders met een permanente verblijfsvergunning of internationale bescherming in Oekraïne vóór 24 februari 2022, wat eiser niet heeft. De rechtbank bevestigde de bevoegdheid van verweerder om de tijdelijke bescherming te beëindigen en dat de voornemenprocedure correct is gevolgd. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel faalde omdat eiser geen ondubbelzinnige toezegging kon aantonen.
Ook het betoog dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden werd verworpen. De rechtbank vond dat de beëindiging passend en noodzakelijk is om misbruik en opvangproblemen te beperken. Eiser kreeg opvang en werkgelegenheid tijdens de asielprocedure en kan een reguliere verblijfsvergunning aanvragen. Tot slot wees de rechtbank het beroep af dat artikel 9 van Pro de Richtlijn ambtshalve toegepast had moeten worden, omdat dit niet binnen de tijdelijke beschermingsprocedure valt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.