ECLI:NL:RBDHA:2023:20072
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne op grond van Richtlijn 2001/55/EG
Eiser, een derdelander uit Nigeria met een verblijfsvergunning in Oekraïne, betoogde dat hij onder de tijdelijke beschermingsregeling van Richtlijn 2001/55/EG viel vanwege langdurig verblijf en huwelijk met een Armeense vrouw met permanente verblijfsvergunning in Oekraïne. De staatssecretaris beëindigde echter zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 en beval vertrek uit Nederland.
De rechtbank oordeelde dat het toepassingsbereik van de Richtlijn beperkt is tot derdelanders die vóór 24 februari 2022 een permanente verblijfsvergunning of internationale bescherming in Oekraïne hadden. Eiser had destijds slechts een tijdelijke vergunning en viel daarom niet onder de doelgroep. Ook het beroep op rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel werd verworpen, evenals het betoog dat de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig was.
Verder stelde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden omdat de tijdelijke bescherming per definitie tijdelijk is en beëindiging noodzakelijk is om opvangcapaciteit te beschermen. Eiser kon een reguliere verblijfsvergunning aanvragen, maar artikel 9 van Pro de Richtlijn verplicht geen ambtshalve toetsing. Het beroep werd ongegrond verklaard en de tijdelijke bescherming beëindigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.