De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, te beëindigen per 4 september 2023. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schorsing van het besluit zodat hij zijn rechten kan behouden.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het spoedeisend belang van verzoeker erkend. Gezien de complexiteit van het besluit en de noodzaak tot nadere bestudering in een bodemprocedure, is besloten het bestreden besluit voorlopig te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 837,00. De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker als begunstigde van de Richtlijn tijdelijke bescherming blijft gelden en de verstrekte rechten worden gecontinueerd totdat op het beroep is beslist.
Deze uitspraak is gedaan op 1 september 2023 te Groningen en is bindend voor de voorlopige fase, zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.