ECLI:NL:RBDHA:2023:20073
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander uit Oekraïne en beoordeling rechtsgronden
Eiser, een derdelander uit India met tijdelijke bescherming op grond van de Oekraïne-richtlijn, betwist het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen en hem te verplichten Nederland te verlaten.
De rechtbank onderzoekt onder meer de bevoegdheid van de staatssecretaris, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de toepasselijkheid van artikel 24 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep te beëindigen en dat dit niet in strijd is met rechtszekerheid of vertrouwen.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de beëindiging van de tijdelijke bescherming noodzakelijk en geschikt is om de opvangproblematiek te beperken en het asielstelsel te beschermen. Eiser heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom de inbreuk op zijn belangen onevenredig zou zijn.
Ook het betoog dat een ambtshalve onderzoek naar een verblijfsvergunning op grond van artikel 24 Kwalificatierichtlijn Pro had moeten plaatsvinden, wordt verworpen omdat eiser geen erkende vluchtelingenstatus heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser.