AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit met proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft op 7 februari 2023 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, welke op 26 juni 2023 door de staatssecretaris is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De zaak zou op 7 december 2023 worden behandeld, maar partijen stemden in met een beslissing buiten zitting op basis van artikel 8:57 AwbPro. De staatssecretaris gaf bij brief van 28 november 2023 aan zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek. Hierdoor was het geschil over uitzetting in deze fase komen te vervallen.
De voorzieningenrechter besloot het primaire besluit te schorsen en verbood de staatssecretaris verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken na de bezwaarbeslissing. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 837,-. Daarnaast werd het verzoek tot vrijstelling van griffierecht toegewezen wegens onvoldoende draagkracht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het primaire besluit geschorst en de staatssecretaris veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In het besluit van 26 juni 2023 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van verzoeker van 7 februari 2023 voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Het verzoek zou op 7 december 2023 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 6 december 2023 gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.1
3. Bij brief van 28 november 2023 heeft de staatssecretaris medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van wat in het verzoekschrift is verzocht.
4. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoeker in deze fase behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de voorzieningenrechter de staatssecretaris om verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
1. Artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat de staatssecretaris de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoedt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).
6. Het verzoek van eiser tot vrijstelling van het griffierecht wordt toegewezen. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het primaire besluit en verbiedt de staatssecretaris verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 december 2023
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.