ECLI:NL:RBDHA:2023:20558
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander uit Turkmenistan niet onrechtmatig
In deze zaak heeft een derdelander van Turkmeense nationaliteit beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. De tijdelijke bescherming was verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 20 december 2023 en beoordeelt de bevoegdheid van de staatssecretaris, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het horen van de eiser. De rechtbank verwijst naar een eerdere meervoudige kamer uitspraak van 30 oktober 2023 waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris bevoegd is de tijdelijke bescherming tussentijds te beëindigen voor de betreffende groep, waaronder eiser valt.
De rechtbank ziet geen nieuwe gronden die aanleiding geven tot een ander oordeel dan in de eerdere uitspraak. De stelling van eiser dat hij zich niet veilig voelt in zijn land van herkomst wordt erkend, maar de rechtbank wijst erop dat eiser een asielaanvraag kan indienen en dat zijn situatie dan zal worden beoordeeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.