ECLI:NL:RBDHA:2023:20660
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing van vreemdelingenbewaring na bijna negen maanden vanwege belangenafweging
Eiser zit sinds 26 september 2023 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het dossier en de voortgangsrapportages beoordeeld en vastgesteld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelt in het kader van de asielaanvraag, maar dat het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt na bijna negen maanden bewaring.
De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring en dat de staatssecretaris niet kan worden verweten dat het verzoek om het asielberoep en de voorlopige voorziening eerder te behandelen is afgewezen. Hoewel eiser eerder niet meewerkte aan uitzetting en een asielprocedure startte om uitzetting te vertragen, is de duur van de bewaring inmiddels dermate lang dat voortzetting onrechtmatig is.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van de uitspraakdatum en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring omdat het belang van eiser op vrijheid zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris bij voortzetting.