ECLI:NL:RBDHA:2023:20665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 december 2023
Publicatiedatum
28 december 2023
Zaaknummer
NL23.38017
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.3 VbArt. 5.1b VbArt. 5.1c VbRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 4 december 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen de maatregel en voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig was en dat de informatieplicht volgens artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit niet was nageleefd.

De rechtbank oordeelde dat voorafgaand aan de bewaring geen terugkeerbesluit vereist is en dat het terugkeerbesluit zelf niet ter toetsing stond in deze procedure. Hoewel verweerder niet schriftelijk alle juridische en feitelijke gronden in een taal die eiser verstaat heeft verstrekt, was eiser tijdens het gehoor met tolk ingelicht en beschikte hij over een informatiefolder. Hierdoor was geen sprake van schending van belangen die de bewaring onrechtmatig zouden maken.

De rechtbank stelde vast dat de zware gronden voor bewaring, zoals het ontbreken van een geldig reisdocument en het risico op onttrekking aan toezicht, terecht zijn aangevoerd. Eiser betwistte deze gronden, maar kon onvoldoende bewijs leveren. Ook het beroep op medische omstandigheden voor toepassing van een lichter middel werd verworpen omdat de medische zorg in detentie adequaat is en onvoldoende onderbouwd werd dat dit onredelijk bezwarend is.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38017

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Terugkeerbesluit
2. Eiser voert aan dat geen sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit nu dit besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat de maatregel van bewaring reeds hierom onrechtmatig is.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw in bewaring is gesteld. Voor het opleggen van een maatregel van bewaring op deze grondslag is het niet vereist dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan eiser. Verder ligt het terugkeerbesluit niet ter toetsing voor in deze procedure. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Uitreiking conform artikel 5.3. van het Vb [2]
4. Eiser voert aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet volgens de eisen van artikel 5.3. van het Vb heeft uitgereikt. Om die reden is de maatregel van bewaring onrechtmatig.
5. De Afdeling [3] heeft bij uitspraak van 15 november 2023 [4] uiteengezet dat uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb volgt dat de informatie genoemd in die bepaling schriftelijk in een taal die de vreemdeling verstaat moet worden gegeven. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat in dit geval niet heeft gedaan. Verweerder heeft bij het uitreiken van de maatregel van bewaring aan eiser namelijk geen schriftelijk stuk in een taal die hij verstaat uitgereikt waarin de toegepaste juridische en feitelijke gronden van bewaring, de rechtsmiddelen én de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand zijn vermeld. Aan eiser is weliswaar een informatiefolder in een taal die hij verstaat uitgereikt, maar hierin staat slechts algemene informatie (weliswaar over de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand en van het instellen van een rechtsmiddel) en niet de redenen waarom specifiek eiser in bewaring is gesteld. Verweerder heeft dan ook niet (volledig) voldaan aan zijn uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb voortvloeiende informatieplicht.
6. Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
7. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit.
Dat eiser niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gesteld van de redenen van bewaring, betekent niet dat hij niet wist waarom hij in bewaring is gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is met behulp van een tolk met eiser gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Verder is eiser door middel van (in ieder geval) de informatiefolder, die is opgesteld in een taal die hij verstaat, op de hoogte gesteld van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel en het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand. Eiser heeft ook kort na de oplegging van de maatregel, met behulp van een rechtsbijstandverlener, beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. Verder blijkt hierna dat in eisers geval sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, zodat het belang van verweerder bij het opleggen van de maatregel van bewaring alleen al hierom zwaarder weegt.
Maatregel van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [5] in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [6] staan in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
  • 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn [7] , reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
9. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert met betrekking tot de zware grond 3a aan dat hij op voorgeschreven wijze is ingereisd omdat hij via een Dublinclaim is ingereisd. Met betrekking tot de zware grond 3b refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de zware grond 3c stelt eiser dat het terugkeerbesluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, waardoor deze grond niet kan worden tegengeworpen. Met betrekking tot de zware gronden 3d en 3f voert eiser aan dat hij hierover onvoldoende is bevraagd en het weggooien van zijn paspoort in zee te lang geleden is om dit nog tegen te kunnen werpen. De zware grond 3i is niet gemotiveerd in de maatregel. Tot slot ontbreekt een op hem toegespitste motivering van alle lichte gronden.
10. Verweerder heeft op zitting zware grond 3i en lichte gronden 4b en 4e laten vallen.
11. Eisers betoog slaagt niet. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3f terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een nationaal paspoort of ander document voor grensoverschrijding, waardoor hij niet heeft aangetoond dat hij op voorgeschreven wijze is ingereisd. Dat hij op een later moment via de regels van de Dublinverordening is overgedragen, maakt dit niet anders. Verder heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring meermaals verklaard dat hij zijn paspoort in de zee heeft gegooid toen hij werd gesmokkeld. [8] Dat dit lang geleden is maakt niet dat dit niet kan worden tegengeworpen. De gronden zijn feitelijk juist en gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling is geen nadere motivering vereist. [9] Deze zware gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. [10] Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico op onttrekking aan het toezicht aangenomen en blijkt voldoende dat eiser de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
12. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Hij heeft (bloed)kanker en de medische zorg hiervan kan in het detentiecentrum niet worden gewaarborgd.
13. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de medische omstandigheden niet maken dat met een lichter middel kan worden volstaan. Verweerder heeft daarbij in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij en dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Eiser heeft bovendien geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de voor hem benodigde medische zorg in detentie niet kan worden gewaarborgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets [11]
14. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
15. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Remerie, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtpsraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180.
5.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
6.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
7.Richtlijn 2008/115/EG.
8.Proces-verbaal van gehoor van 4 december 2023, p. 3, 4 en 5 van 10.
9.AbRS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
10.Artikel 5.1c, eerste en tweede lid, van het Vb.
11.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.