Uitspraak
3.ECLI:NL:RVS:2023:4180.
4.ECLI:NL:RVS:2022:3289.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Franse nationaliteit, stelde dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd door een week in Frankrijk te verblijven, en dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat het enkele feit van een korte afwezigheid niet volstaat om het verwijderingsbesluit te respecteren; eiser heeft zijn verblijf in Nederland ongewijzigd voortgezet, mede gelet op zijn justitiële documentatie en recente verdenkingen van strafbare feiten.
Verder stelde eiser dat hij niet in een taal werd geïnformeerd die hij verstaat over de redenen van bewaring, wat een schending van de informatieplicht uit artikel 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000 zou zijn. Hoewel verweerder niet volledig aan deze schriftelijke informatieplicht voldeed, was dit gebrek niet ernstig genoeg om de bewaring onrechtmatig te verklaren, mede omdat eiser via een tolk werd geïnformeerd en rechtsbijstand kreeg.
Eiser voerde aan dat zijn ophouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit bekend was uit strafrechtelijke stukken, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder terecht op grond van artikel 50 Vreemdelingenwet Pro mocht ophouden omdat eiser geen identificerende documenten bezat. Ook de overbrenging naar het detentiecentrum was binnen de toegestane termijn van 24 uur.
De rechtbank vond de gronden voor de bewaring voldoende gemotiveerd en oordeelde dat een lichter middel niet volstond vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Verweerder handelde voortvarend door snel vertrek naar Frankrijk voor te bereiden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.