ECLI:NL:RBDHA:2023:20777
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en ZVW 2016 met matiging vergrijpboete
Eiser, een eenmanszaakhouder actief in de bemiddeling bij onroerend goed, kreeg voor het jaar 2016 navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd door verweerder, inclusief een vergrijpboete. De navorderingsaanslagen waren gebaseerd op een redelijke schatting van het belastbaar inkomen, waarbij bankmutaties en een brutowinstpercentage werden gehanteerd.
Eiser stelde primair dat de aanslagen buiten de wettelijke termijn waren opgelegd en subsidiair dat de aanslagen te hoog waren, waarbij hij stelde dat niet alle bankbetalingen aan hem toerekenbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de aanslagen tijdig waren opgelegd binnen de verlengde navorderingstermijn en dat eiser niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast deels bij hem lag.
De rechtbank vond de schatting van verweerder redelijk en oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat de aanslagen te hoog waren. Wel matigde de rechtbank de opgelegde vergrijpboete tot 50% van het nagevorderde bedrag, omdat verweerder niet voor het gehele bedrag kon aantonen dat opzet of grove schuld aanwezig was. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV werd gegrond verklaard, het beroep tegen de ZVW-aanslag ongegrond, en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Beroep tegen navorderingsaanslag IB/PVV gegrond met matiging vergrijpboete, beroep tegen ZVW ongegrond.