AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na intrekking beroep
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 EVRMPro. Dit verzoek werd op 4 maart 2021 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure bij de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval de Staatssecretaris een nieuw besluit te nemen. Verzoeker stelde de Staatssecretaris vervolgens in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar en startte een procedure tegen het niet tijdig beslissen. Verzoeker verzocht ook om een voorlopige voorziening.
De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu het beroep was ingetrokken en de hoofdzaak was afgedaan, een voorlopige voorziening niet langer nodig was en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep is ingetrokken en de hoofdzaak is afgedaan.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.9627
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer] ,
van Turkse nationaliteit
(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 24 november 2020 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 EVRMPro’, bij zijn dochter [belanghebbende] , afgewezen.
Daarnaast is bepaald dat verzoeker ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij uitspraak van 9 februari 2022 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen (NL21.16940).
Bij brief van 21 april 2022 heeft verzoeker verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Op 25 mei 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar (NL22.9626). Verder is de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft bij besluit van 14 september 2022 het bezwaar ongegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft meegedeeld niet bereid te zijn de proceskosten te vergoeden voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De rechtbank heeft uitspraak gedaan in het beroep met zaaknummer NL22.9626. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.