ECLI:NL:RBDHA:2023:2093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2023
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
NL22.26289
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard

Eiser, met de Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam dit verzoek niet in behandeling omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser betwistte dit en verwees naar publicaties over de houding van de Italiaanse regering Meloni en een circulaire brief waarin Italië de overdracht van asielzoekers tijdelijk opschortte wegens opvangproblemen. Hij stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer geldt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Italië in een situatie komt die strijdig is met het Handvest of het EVRM. De tijdelijke opschorting door Italië betreft een feitelijke belemmering en verandert niets aan de verantwoordelijkheid van Italië.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26289

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Syrische nationaliteit hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat, aldus verweerder.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst daarbij naar publicaties die door hem bij de zienswijze al zijn overgelegd, betreffende de houding van de regering van Giorgia Meloni tegenover asielzoekers. Ook doet eiser een beroep op een bericht van de Italiaanse autoriteiten van 5 december 2022
over de opschorting van Dublinoverdrachten wegens een gebrek aan opvangmogelijkheden. Eiser heeft daarbij een aantal uitspraken van de rechtbank overgelegd waarin is geoordeeld dat verweerder naar aanleiding van de ‘circular letter’ eerst nader onderzoek dient te doen of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. [3]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Verweerder mag in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Hierin is eiser niet geslaagd.
5. Voor zover eiser heeft gewezen op publicaties in de media over de houding van de regering Meloni ten aanzien van asielzoekers in het algemeen en het ontvangen van migrantenschepen in het bijzonder, heeft verweerder voldoende gemotiveerd overwogen dat met die informatie noch anderszins is gebleken dat eiser als Dublinclaimant na overdracht aan Italië in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest [5] of artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
6. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de recente oproepen van de Italiaanse autoriteiten om overdrachten aan Italië op te schorten evenmin leidt tot de conclusie dat het overdrachtsbesluit niet in stand kan blijven.
7. De Italiaanse autoriteiten hebben middels de ‘circular letter’ van 5 december 2022 bericht dat zij tot nader order niet in staat zijn om Dublinclaimanten te ontvangen. Uit de in dit verband door de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie volgt niet dat Italië de verantwoordelijkheid op grond van de Dublinverordening in bedoelde gevallen verwerpt.
8. Een en ander kan dan ook worden opgevat als een tijdelijke feitelijke belemmering van de mogelijkheid tot overdacht, zoals verweerder doet. Ook in een nader bericht van Italië van 4 januari 2023 wordt duidelijk aangegeven dat, hoewel de overdrachten in januari moeten worden geannuleerd, deze wel opnieuw moeten worden ingepland voor de maand februari, wat het tijdelijke karakter van de opschorting bevestigd. Er is geen reden om dit met het oog op eisers belang nader te onderzoeken. De Dublinverordening regelt immers dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek automatisch overgaat op de verzoekende lidstaat na het verstrijken van de uit artikel 29 voortvloeiende Pro overdrachtstermijn.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:139), zittingsplaats Utrecht van 29 december 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:5701) en 13 januari 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:87 en ECLI:NL:RBDHA:2023:225) en zittingsplaats Roermond van 30 januari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:838).
4.Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2497), 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3272) en 12 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3689).
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.