Eiser, marinier der eerste klasse, werd ontslagen wegens bezit van meer dan de toegestane gebruikershoeveelheid softdrugs, vastgesteld door een uitspraak van de militaire politierechter met dwingende bewijskracht.
Eiser betwist het bezit en stelt dat de softdrugs per ongeluk in zijn auto zijn achtergelaten door een kennis. Ook voert hij aan dat het besluit niet zorgvuldig en evenredig is gemotiveerd, mede vanwege zijn goede staat van dienst en de financiële gevolgen van ontslag.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was tot ontslag wegens wangedrag, gelet op het drugsbeleid binnen Defensie en de bewezenverklaring van de militaire politierechter. Wel ontbreekt in het bestreden besluit een deugdelijke motivering over de evenredigheid van het ontslag.
Na toelichting van verweerder op de zitting acht de rechtbank het ontslag niet onevenredig gezien het belang van Defensie bij integriteit en vertrouwen van militairen. Daarom wordt het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar blijven de rechtsgevolgen van het ontslag in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.