Uitspraak
19.2880 MAW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een militair met een dienstverband van 32 jaar bij het Ministerie van Defensie, werd ontslagen wegens wangedrag door het structureel en veelvuldig privégebruik van een dienstauto. Na een bijeenkomst over het gebruik van dienstauto’s en een e-mailverslag waarin het privégebruik werd verboden, bleef appellant toch meerdere niet-toegestane ritten maken, waaronder het vervoeren van een derde.
De rechtbank oordeelde dat het wangedrag aan appellant toerekenbaar was en dat het ontslag niet onevenredig was gezien de ernst van het gedrag en het geschonden vertrouwen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de regelgeving onduidelijk was, dat hij niet tijdig was gewaarschuwd, dat de straf onevenredig was ten opzichte van collega’s en dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie.
De Centrale Raad van Beroep verwierp deze gronden en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant door zijn aanwezigheid bij de bijeenkomst en het ontvangen verslag op de hoogte was van de regels en dat hij een gewaarschuwd man was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat de gevallen van collega’s niet vergelijkbaar waren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens wangedrag door privégebruik van de dienstauto wordt bevestigd.