Art. 8:83 AwbArt. 15 OpvangrichtlijnArt. 3, tweede lid, Bpb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening toegewezen tegen weigering verlenging tewerkstellingsvergunning asielzoeker
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de verlenging van een tewerkstellingsvergunning voor haar werkgever, die eerder een vergunning had voor de periode van 18 juli 2023 tot 31 december 2023. De vergunning is verleend op grond van de asielzoekersregeling, waarbij asielzoekers maximaal 24 weken per 52 weken mogen werken. Verweerder heeft de verlenging geweigerd omdat deze termijn was overschreden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de 24-wekentermijn in vergelijkbare zaken onverbindend is verklaard, omdat deze beperking van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers niet gerechtvaardigd is en in strijd is met artikel 15 vanPro de Opvangrichtlijn. Daarom heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen.
De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoekster vanaf 31 december 2023 wordt behandeld alsof haar werkgever in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van haar, tot aan de beslissing op bezwaar. Tevens wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan verzoekster te vergoeden. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoekster wordt behandeld alsof haar werkgever een tewerkstellingsvergunning heeft tot aan de beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: UTR 23/4888 – Rectificatie p. 2 en 3
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster over de aan haar werkgever geweigerde tewerkstellingsvergunning voor haar. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
Verweerder heeft eerder een tewerkstellingsvergunning verleend voor de periode van
18 juli 2023 tot 31 december 2023. De werkgever van verzoekster heeft verzocht om verlenging van deze tewerkstellingsvergunning. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 5 oktober 2023 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De ten behoeve van verzoekster verleende tewerkstellingsvergunning is verleend op grond van de asielzoekersregeling en heeft een beperkte geldigheidsduur, namelijk 24 weken, tot 31 december 2023. Op grond van deze regeling mogen asielzoekers maximaal 24 weken per 52 weken werken. Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat de 24-wekentermijn is overschreden.
2. De rechtbank heeft in vergelijkbare zaken de 24-wekentermijn onverbindend verklaard, omdat de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers wordt beperkt zonder dat daar een rechtvaardiging voor is. [1] Dat is in strijd met artikel 15, eerste en tweede lid, van de Opvangrichtlijn.
3. Gelet op deze uitspraken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek wordt toegewezen in die zin dat verzoekster vanaf 31 december 2023 wordt behandeld als ware haar werkgever [werkgever] . te [vestigingsplaats] in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van haar, tot aan de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat het verzoek wordt toegewezen voor de door verzoekster gevraagde periode van 24 weken, omdat verweerder moet beoordelen of in de situatie van verzoekster is voldaan aan de overige voorwaarden voor een tewerkstellingsvergunning.
4. De rechtbank oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) [2] . Gemachtigde van verzoekster heeft veertien bezwaarschriften - waaronder die van verzoekster - ingediend. Tegen alle veertien zaken is door dezelfde gemachtigde bij deze rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De overige dertien zaken staan geregistreerd onder de volgende nummers volgende zaaknummers: UTR 23/4872;
UTR 23/4879; UTR 23/4885; UTR 23/4890; UTR 23/4880; UTR 23/4884; UTR 23/4882; UTR 23/4881; UTR 23/4877; UTR 23/4873; UTR 23/4875; UTR 23/4883; UTR 23/4889. De rechtbank overweegt dat sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden, omdat de tekst van de betreffende verzoeken en de daaraan connexe bezwaarschriften van voornoemde veertien zaken nagenoeg identiek is en daarin niet is toegespitst op de persoonlijke situatie van verzoekers. De motivering van de verzoeken en bezwaarschriften berust ook alleen op juridische argumenten. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de veertien door gemachtigde ingediende verzoeken nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld door de rechtbank. De bezwaarschriften richten zich tegen het beleid van verweerder en niet tegen de individuele toepassing van dat beleid op de situatie van verzoekers.
5. De rechtbank heeft in de uitspraak van zaak UTR 23/4872 de totale hoogte van de proceskostenvergoeding berekend. Om deze reden zal de rechtbank zich daarover in deze uitspraak dan ook niet verder uitlaten.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoekster vanaf
31 december 2023 wordt behandeld als ware haar werkgever [werkgever] . te [vestigingsplaats] in het bezit van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van haar tot aan de beslissing op het bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht € 184,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Zittingsplaats Arnhem, ECLI:NL:RBDHA:2023:5458, en zittingsplaats Utrecht, ECLI:RBMNE:2023:4728.
2.Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb zijn samenhangende zaken: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand beroepsmatig is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.