Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
onnodigwordt beperkt.
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak oordeelt de rechtbank Den Haag over beroepen van eisers tegen afwijzing van aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen. Het UWV had de aanvragen afgewezen omdat eiser al 24 weken had gewerkt binnen een periode van 52 weken, wat volgens de regelgeving het maximum is voor asielzoekers.
De rechtbank stelt vast dat deze 24-weken-eis in strijd is met artikel 15 van Pro de Opvangrichtlijn, omdat het de effectieve toegang tot de arbeidsmarkt onnodig beperkt. De eis leidt ertoe dat asielzoekers gedurende 28 weken per jaar geen arbeid mogen verrichten, wat de rechtbank onverenigbaar acht met het doel van de richtlijn om daadwerkelijke toegang te waarborgen.
De rechtbank verwerpt het argument van het UWV dat de beperking noodzakelijk is om een publiek signaal tegen permanent verblijf te voorkomen en om te voorkomen dat asielzoekers WW-rechten opbouwen. De rechtbank benadrukt dat recht op WW-uitkering vervalt bij het verlies van rechtmatig verblijf, waardoor deze bezwaren niet opgaan.
De rechtbank verklaart de 24-weken-eis onverbindend, vernietigt de bestreden besluiten en beveelt het UWV aan binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen waardoor eiser wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning totdat het UWV een nieuw besluit neemt. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de 24-weken-eis onverbindend en beveelt het UWV nieuwe besluiten te nemen waarbij eiser wordt behandeld alsof hij een tewerkstellingsvergunning bezit.