ECLI:NL:RBDHA:2023:21190
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling buitenlandbijdrage Zvw over zorgjaar 2019
Eiser, woonachtig in België en ontvanger van een AOW-uitkering en een bedrijfspensioen, maakte bezwaar tegen de definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over zorgjaar 2019. Verweerder, het Centraal Administratie Kantoor (CAK), handhaafde de bijdrage van € 5.834,29, waarvan reeds € 5.227,91 was ingehouden, zodat nog € 606,38 openstond.
Eiser betoogde dat het onrechtmatig was dat zijn bedrijfspensioen als wettelijk pensioen werd behandeld en dat de inhouding van de buitenlandbijdrage daarop niet rechtmatig was. De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van het besluit aan de hand van de Europese Verordening (EG) 883/2004, de Zvw en de Regeling Zorgverzekering.
De rechtbank volgde de eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat het Unierecht zich niet verzet tegen het betrekken van bedrijfspensioenen bij de berekening van de buitenlandbijdrage. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de buitenlandbijdrage Zvw over zorgjaar 2019 wordt ongegrond verklaard.